tekst (11) – elisabeth tonnard

door johan_velter

Enkele maanden kon Elisabeth Tonnard in het Künstlerhaus Bethanien in Berlin verblijven. En dit betekent in haar werkdrift nieuwe boeken met het Duits en/of de stedelijke omgeving als inspiratiebron. De nieuwe boeken zijn zelfgemaakt – wat niet altijd het geval is bij haar: soms komen heuse drukkers eraan te pas, soms is het pod en een enkele keer ook gewoon keukentafelwerk. Dat maakt van haar oeuvre een disparaat geheel: er is in de vorm een grote verscheidenheid, ook in de productiewijze en beide bepalen ook weer de inhoud – die is dan, ondanks de verscheidenheid, toch weer duidelijk van haar hand. Is Tonnard een beeldend kunstenaar, een dichter, een boekvormgever, een nadenker, een dichter, een ambachtsmens, een stapelaar, een vinder, een fotograaf, een archivist, een conservator, een opraper, een wetenschapper, een regisseur, een verzamelaar, een ontdekker? Alles een beetje, al naargelang wat zich aandient, wat gezien wordt. En wat de lezer ziet. Er is onmiskenbaar een mededogende visie aanwezig: dat wat vergeten wordt, wordt terug opgerakeld en getoond. Dit gaat echter niet samen met een sentimentele kijk op wat geweest is. Er is de blik van de wetenschapper: dit is, daar weten we weinig over, wat overblijft is een beeld en dit wordt het vertrekpunt voor een nieuw verhaal.

Nemen we The Lovers, een boek dat, zoals Elisabeth Tonnard het zelf zegt, afgedankte foto’s toont. De foto’s (fragmenten van foto’s) worden voorafgegaan door een tekst van Tonnard – wat uitzonderlijk is – en ze worden ook uitgeleid met een tekst – even uitzonderlijk. In de eerste tekst wordt gesteld dat ‘foto’s eenzame dingen kunnen zijn’. Er staan mensen en dingen afgebeeld – een foto is altijd een samenvatting van tijd, plaats, object – maar eens de mens als betekenisgever verdwenen is, krijgen de foto’s een andere status. Wat eerst louter individueel en subjectief is, wordt, eens de foto’s verlaten zijn, objectief en een voorwerp dat met iedereen een relatie kan aangaan. Hier zien we hoe de geest van Tonnard werkt: wat eerst verloren is, kan opnieuw geconnecteerd worden: de dingen (de afbeeldingen, maar ook de woorden) worden vrij, worden verlost van hun betekenis, hun expressie, hun emotionele waarde en krijgen daardoor een andere, hogere betekenis: het is materiaal. En de relatie gebeurt daar en door wie ogen en oren heeft.

Dit boek bevindt zich overigens op een metaniveau: het zijn afbeeldingen uit een videofilm over het werk van Joachim Schmid. Op zeker moment ziet men hem op een vlooienmarkt door een rij foto’s bladeren: het boek The Lovers bevat momentopnamen van deze passage. Het is onjuist om het werk van Elisabeth Tonnard als ‘gevonden kunst’ te karakteriseren: niets wordt zomaar opgenomen, er is wel degelijk een blik (een verstand) die selecteert; het geselecteerde wordt steeds bewerkt.

elisabeth tonnard_1

Twee naar vorm identieke boekjes zijn Tischblumenbilder en Mein Buch. De boekjes meten 19 cm hoog, 11 cm breed, rode omslag, geniet door het omslag, elk 1 katern. Op het omslag is de titel gekleefd. De woorden zijn gestempeld, staan wat schots en scheef. Alhoewel de thematiek de problematiek van de Duitse taal is, lijkt het nu wel alsof de woorden dansen en dat de logheid van het Duits een vooroordeel is – omgekeerd kan ook: de woorden dansen voor de ogen van de lerende. De woorden uit de titel worden verbogen en gaan aldus hun eigen weg. Mein Buch is een spel met het woord (en zijn verbuigingen) mein: een nogal hedendaags woord dat veel betekenis in zich bergt. Zoals de woorden in beide boekjes zich tonen, beseft de lezer plots hoe de woorden niet op zichzelf bestaan of naar een object verwijzen maar door het geslacht van de woorden en de spreker (taalgebruiker) bepaald worden. Plots zie je dat het geslachtsloze een illusie is en zo werkt het oeuvre van Tonnard ook: wat erover gedacht en gezegd kan worden, kan ook gekeerd worden – niet dat dit alles betekenisloos is, wel dat er meer vernuft aan te pas komt, dan men op het eerste gezicht ziet – voor wie niet ziet.

elisabeth tonnard_2

Het vierde boek dat recent verschenen is, is een poëziebundel met 2 gedichten. Elk gedicht is samengesteld uit geleende zinnen. Die komen ditmaal uit het grammaticaboek Kurzgefaßtes Lehrbuch der Deutschen Sprache für Chinesen van Hermann Sanders (1922). Het eerste gedicht heet ‘Was ich weiss’ en is door de droge, laconieke opsomming een objectivering van het ik – hier wordt ook duidelijk hoe ver Tonnard afstaat van de huidige kunstpraktijk waar juist het sentimentele de kern van vormt – een beklemtoning van het emotionele, met achterlating van de vrijheid van de geest. Hier blijkt hoe het objectiverende juist de vrijheid van de mens is. Op elke pagina van dit kleine boek (10,5 x 14,8) staat een regel afgedrukt, steeds zorgvuldig gecomponeerd op een eigen plaats in het geheel. Op deze droge manier maakt Tonnard duidelijk hoe problematisch de taal kan zijn, maar ook hoe mensen de woorden gebruiken om de gedachten weer te geven. Zoals andere boeken van haar een reflectie op het beeld zijn, zo is ook dit boek een afwegen van hoe taal functioneert. Door de speelsheid, de fantasie is dit geen loodzware kost maar een haast achteloos omgaan met ideeën, filosofie, taalwetenschap, sociologie en antropologie. Het tweede gedicht ‘Das Wetter’ beschrijft de weersomstandigheden die een mens aanzetten tot klagen of jubelen – maar ook dit wordt geobjectiveerd omdat de zinnen geen emoties bevatten maar constateringen zijn. Ze zijn louter informatie en we weten dat iemand een taal leert met onzin: wat in het boek staat, gebeurt niet – maar dat geldt ook voor de lezer (Hugo Claus heeft dat op een meesterlijke wijze verwoordt als hij schreef over Karel Van de Woestijne die in de zomer over de herfst dicht (Van horen zeggen). En zie, daar staat plots, tussen alle weerzinnen, een zin die herinnert aan Goethe’s Es irrt der Mensch, solang er strebt:  Der Mensch irrt, solange er lebt.

Advertenties