soumission – michel houellebecq (3)

door johan_velter

wolken_raoul de keyser

Het werk van Michel Houellebecq, en Soumission doet wat het moet doen, is beangstigend door de zogenaamde onstijl. We lezen een combinatie van Auguste Comte (het positivisme), Karl Marx (de materialistische analyse van een economisch bestel waar de bovenbouw barsten vertoont), Blaise Pascal (een treurend, godsdienstig moralisme) en Arthur Schopenhauer (een metafysisch pessimisme). (Of we kunnen andere namen noemen: steeds weer echter de sociologische blik van Comte, de cartesiaanse scherpzinnigheid, de afwijzing van Emile Cioran.) Dit alles wordt gecombineerd tot een samenspel waar het realisme de boventoon voert, het nous observons. Wat Houellebecq beschrijft als een toekomstvisie, en ook hier toont hij zijn subtiliteit waar hij een combinatie van George Orwell en Aldous Huxley toepast, is reeds realiteit: het enige wat hij doet, is wat is, verder doordenken. Is de roman van Houellebecq een utopie of een dystopie? Weer gebruikt hij de romaneske ambiguïteit: het islamisme verdooft, geeft wat suiker maar doodt ook elk intellectueel leven – de oplossing van de islam is het verdelen van vrouwen en geld – maar net zoals het consumptiekapitalisme zou dit wel eens te weinig kunnen zijn.

De overgang van het Westers model, dat zich uit in het individualisme (én de daarmee samenhangende denk-, voel- en handelingssystemen zoals het recht op emancipatie en de algemene mensenrechten), naar een islamistisch model, dat steunt op het vereenvoudigd clanmodel (gezin-familie-patriarchaat), wordt door Houellebecq op een subtiele manier weergegeven: er is namelijk geen overgang nodig. De afbraak van het individu-model werd reeds lang, met de Franse filosofie op kop, voorbereid door het Westen zelf en de technologische veranderingen werken het islamistisch model in de hand – zo wordt de overgang naar een ander paradigma voorgesteld als een normale evolutie en is het verzet onbestaande.

Michel Houellebecq bezit een haast wetenschappelijke stijl die niet ontsierd wordt door een sentimentalisme of een moralisme – dit betekent niet dat er geen poëtische passages te lezen zijn, het intermezzo over de wolken is daarvan een overtuigend voorbeeld – waardoor wat hij schrijft beangstigend is: dit is niet langer een profetie maar wat dagelijks gezien en ervaren wordt. Beter nog: hij beschrijft wat de meesten nog niet gezien hebben (of willen zien). Houellebecq beschrijft niet zozeer een stervende maatschappij maar wel een door het Westen verlaten Westerse maatschappij. Ambivalent blijft of Houellebecq de islamisering als een nieuwe dynamiek beschouwt of als een definitief einde. Het laatste hoofdstuk wordt geïnterpreteerd als de aanvaarding door het hoofdpersonage van de islamoverheersing maar het hoofdstuk is in tegenstelling tot de voorgaande hoofdstukken, in de voorwaardelijke wijze geschreven. Houellebecq schrijft hoe de volgende stappen zullen zijn, althans als die eerste stappen gezet worden. Is zijn hoofdpersonage tot aan de grens gegaan en daar op zijn schreden teruggekeerd of heeft hij de grens overschreden? Duidelijk is dit niet – en dit is toch de bedoeling van de schrijver. Zo kan deze lezer zeggen dat de (niet-geschreven) laatste woorden van deze roman Mais non zouden kunnen zijn. François, het hoofdpersonage, heeft niet alleen een intellectueel beroep maar staat ook in het leven als een intellectueel, m.a.w. hij reflecteert over de maatschappij, hij is nieuwsgierig, hij tracht te begrijpen. De meest lyrische passages zijn die waar het personage inzichten verwerft, nieuwe zaken inziet én wanneer hij een nieuwe visie ontwikkelt over Joris-Karl Huysmans, zijn specialiteit is deze decadente schrijver. Het lijkt alsof het personage dit alles wil opgeven voor het geld, de mogelijkheid een vrouw te hebben voor de hutsepot en een ander voor het bed. Als we psychologie mogen toepassen: het hoofdpersonage wéét al dat deze zaken niet het geluk kunnen en zullen betekenen.

Dat Houellebecq hier Huysmans opvoert, is niet toevallig, al eerder toonde hij zijn fascinatie voor deze 19de-eeuwse schrijver. Wat hen verbindt is het gevoel in een eindtijd te leven. Beiden ervaren een leegte, beiden zien in het moderne slechts voosheid, onechtheid. Huysmans bekeert zich tot het katholicisme; François tot de islam (?). Beiden hebben dus ook een regressieve reactie want het katholicisme van Huysmans was zelfs niet het toenmalige katholicisme maar een terugkeer naar het middeleeuwse gevoel – ook dat verbindt François met Huysmans: denken dat er toen een eenheid was (terwijl in onze definities het katholicisme toen helemaal niet bestond: het was geen algemeen aanvaarde godsdienst die zo diep in het leven kon doordringen als in de 19de eeuw: ze liet meer vrijheid toe dan wat nu nog begrepen kan worden – en dit alles ondanks de repressie): vanuit het positivistisch standpunt is de godsdienst een achteruitgang. François krijgt in het tweede deel van de roman de mogelijkheid een Pléiade-uitgave samen te stellen met het werk van Huysmans, hij moet daarvoor een nieuwe inleiding schrijven – ook die passages zijn gloedvol en vol humor geschreven. Zijn nieuwe stelling is nu dat Huysmans geen nieuwe ideologie of rechtvaardigingssysteem zocht, dat hij niet getroebleerd werd door de angstaanjagende espace van Pascal, maar wel ‘het goede leven’ verlangde (en dat is: lekker eten, een goede wijn tijdens de maaltijd, daarna een cognac met rookgerief en een vrouw die voor dit alles zorgt). Houellebecq transponeert dit naar zijn hoofdpersonage en ook voor hem is de overgang naar de islam geen ideologisch maar een kleinburgerlijk verlangen (zoals Simenon het huiselijk leven van Maigret beschreef): geen toestanden, een goed gedekte tafel, rust na de maaltijd. (Filosofisch gezien doet Houellebecq afstand van de metafysica maar hij doet dit niet volledig: hij blijft een leerling van een Westers continentaal denken terwijl hij ook het angelsaksisch model van het pragmatisme volgt – het goede leven – ; het echec van Houellebecq ligt precies hier: zowel zijn analyse als zijn ‘oplossing’ schieten tekort waardoor hij een halfslachtige intellectuele houding aanneemt.) Houellebecq illustreert dit ook met de esthetische voorkeuren van Huysmans, die enerzijds wel het impressionisme en symbolisme als nieuwe stromingen verdedigde maar zelf een voorkeur had voor de oude Vlaamse meesters (Flammarion, 2014, p. 281) – eerst dacht ik dat dit een afgebroken gedachte van de schrijver was maar dit is niet zo. Die Vlaamse meesters (en daarmee toont Houellebecq de relatie aan tussen Aloysius Bertrand en Huysmans) staan voor een verloren tijd waar de godsdienst een eenmakend rooster was, waar de doelstellingen binnen de noden van het individu lag (eten, drinken, slapen) en waar de tergende schreeuw van het moeten niet maatschappelijk maar individueel was.

Dat Michel Houellebecq in het existentialisme geworteld is (le vide, l’horreur, de puberale romantiek van de camusiaanse zelfmoordgedachte) – en dat is dan ook zijn achillespees – toont de wending van de roman aan: zijn overgang is het ‘ondanks alles’ van Søren Kierkegaard. Hij stapt het leven binnen als de eerste de beste jonker maar hij doet dit slechts op voorwaarden die hij impliciet aanvaardt: zijn ‘werpen’ is slechts een mogelijkheid, een proberen waarbij steeds het meta-spel een rol speelt: er wordt een spel gespeeld wordt en dit zal geëvalueerd worden. Het is deze musiliaanse ironie die in het werk van Houellebecq speelt: ja, hij stapt het hedendaagse leven binnen maar hij doet dit toch steeds als een buitenstaander. Wat hij wil is dat men hem gerust laat, dat men hem laat leven in het heerlijke Land van Cocagne.

Advertenties