grond en metagrond

door johan_velter

In de essaybundel Grondstoffen (2015) doet de gelijknamige reeks denken aan wat in Frankrijk ooit de ‘Ce que je crois’-reeks was: een geloofsbelijdenis, een zich bloot geven – met soms onverwachte resultaten. In die reeks kon men lezen hoe diep verankerd ‘la France profonde’ was (en is) bij de Franse intelligentsia. En eigenlijk is dat bij Brassinga ook zo: de natuur, het niet-stedelijke leven, de anti-moderniteit.

Wat Brassinga haar ‘grondstoffen’ noemt, kun je ook als haar instrumenten, de werktuigen van de taal benoemen. Deze reeks is een apologie voor haar werkwijze, het opstellen van een eigen poëtica. Maar eerst begint ze met een ‘visie’, een dichterlijke denkhouding en die is de veranderlijkheid: de dingen wijzigen maar ook hier wordt dit als een essentialisme gezien, en is dus een metafysica. De dichterlijke (formele) vormen kunnen verschillen maar poëzie kun je herkennen: ‘[…] zolang je maar door gewas en gesteente heen, de glans en de transparante, levende veranderlijkheid van juist die grondstof blijft zien, zelf onkenbaar en zich alleen uitdrukkend in zijn verschijningsvormen.’ [onderlijning j.v.]. De taal is ‘een immateriële substantie waarin het vermogen huist tot metamorfose, van alles in alles, zo ongeveer.’ De grondstof, taal, is een bron van alle mogelijke variaties. Daarmee samenhangend is de levenskracht, de liefde in al haar verschijningsvormen, dus ook ‘het drama van de verwoestende, ingeboren kracht’ en is een ‘eeuwig conflict tussen de rampzalige passie en onszelf’. De wereld is een strijdtoneel, het menselijk leven een gevecht. De poëtica van Brassinga richt zich eerder naar het irrationalisme dan naar het rationalisme – dit laatste begrepen als de fundamentele mogelijkheid van de mens om de wereld te begrijpen en daarin op een harmonieuze manier een rol te spelen – metafysica is daarentegen een oorlogsdenken.

De taal bezit een vorm: ritme, klank, adem: het is in poëzie dat deze middelen tot het uiterste kunnen uitgewerkt worden en voor Brassinga komt dit alles vóór de betekenis, het inzicht. Zoals Carnap het zei: ‘Piroten caruleren elatisch.’ Er is daarmee een scheiding tussen taal en werkelijkheid waarbij de dingen vóór de taal komen en een eigen leven leiden. De mens kan weliswaar y denken, toch is het x.

Beeldspraak en adjectieven zijn de decoratieve elementen van de taal – het decoratieve is geen verwijt. Beeldspraak verruimt de wereld (het kijken) door een schijnbare reductie: wie zegt ‘dit is als z’, ziet niet alleen wat is maar ook wat in de verbeelding bestaat: er worden onvermoede verbanden gelegd, nieuwe inzichten in het oog geboren. De bijvoeglijke naamwoorden worden bij Brassinga alle eer aangedaan: de vette taal staat voorop, ten detrimente van het karige, het schrale. Dit kan toch gepaard gaan met een aandacht voor het gebalde, het aforistische. De puntige wijsheid. Merkwaardig is dan weer hoe het aforisme door haar bij de dood betrokken wordt: ‘Blijft het aforisme pur sang voor schrijvers niet de beste vorm om zich met de dood te verstaan ? Het sterven zelf zou immers ook zo’n flits van inzicht bij de grensovergang kunnen zijn.’

Zonder een zicht op het oneindige, de belofte, het verlangen is er geen poëzie en daarmee is het gedicht ook een antimaatschappelijk standpunt. De vulgariteit van de winkelstraten belooft ook, maar daar is de belofte vervulbaar: er hoeft slechts geld getoond te worden en daar is het einde van het geluk. De poëzie spreekt van een ander soort hopeloos verlangen, een verlangen te leven in een tijd van mensen. Daarvoor daalt de dichter in zijn eigen krochten af, daartoe heeft de dichter een eigen stem nodig. Die diepten zijn … niet dieper dan die van een steen, vermits alles van eenzelfde materie is: de dingen hebben slechts een toevallige vorm – hier zien we plots het lucretiaans materialisme zich vermengen met een hegeliaanse metafysica die door Brassinga gewaardeerd wordt omwille van de verbeelding en de zich transformerende geest. Maar direct daartegenover stelt ze het denken van Adorno die het geheel als de leugen ziet en het fragment als de waarheid. Het zijn deze tegenstellingen die het werk van Brassinga levendig houden, er is een botsing van visies en mogelijkheden en er hoeft geen uitkomst te zijn. In het laatste onderdeel van de reeks ‘Grondstoffen’ (die doet denken aan de memo’s van Italo Calvino), ‘Claritas’, wordt de extase als uiteindelijk doel aangegeven: het zich overgeven, opgaan in wat meer is dan het ik, het dagelijkse en het moment dat reeds voorbij is.

Advertenties