grond – zwevend

door johan_velter

Alhoewel er altijd een steen des aanstoots aanwezig is, intrigeert de poëzie van Anneke Brassinga. Er is haar ongetwijfeld poëtisch vermogen, een kracht de taal te smeden, te masseren naar iets wat voordien niet was. Haar geworteldheid in de cultuur maakt van haar artistiek werk (waartoe uiteraard ook haar essays en vertalingen gerekend moeten worden) een standpunt tegen de hedendaagsheid, de oppervlakkigheid, de gemakzucht. Al meer problemen heb ik met haar fascinatie voor de oude taal, woorden die voorbij zijn. Een pragmatisch standpunt is immers dat de woorden samen met de dingen verdwijnen; als woorden terug opgehaald worden louter ter herinnering of voor de smaak, dan is de taal nog slechts decoratie, zijn de woorden slechts opsmuk. Daartegen kan geargumenteerd worden dat het overbodige in de cultuur juist de kernwaarde is. Toch blijft de verbondenheid tussen taal en werkelijkheid een noodzakelijke band.

In haar nieuwste essaybundel, Grondstoffen, een verzameling eerder geschreven en uitgegeven teksten, maakt Anneke Brassinga haar dienstbaarheid aan de taal (die ik met hoofdletter zou moeten schrijven) duidelijk. Haar standpunt is een rest van metafysica, een rare, extatische mengeling van katholicisme en protestantisme wanneer van beide systemen niet meer het goddelijke bestaat maar wel nog de huls. Haar voorliefde voor barokke taal brengt haar in vertalingen soms op nogal onverwachte wegen; haar taalopvatting, als iets dat buiten de mens staat en een eigen leven leidt, is misschien wel haar poëtische kracht maar verlamt en verarmt tegelijkertijd haar poëzie omdat de betekenis daardoor weggezogen wordt, verdingd wordt. In die zin staat Brassinga dichter bij Lucebert dan bij Ter Balkt, nochtans alle drie taalgeweldenaars.

Nog mag haar omgaan met de idee taal als een metafoor begrepen worden, de stijlfiguur heeft maar zinnen binnen een bepaald, metafysisch kader.

Dat het oeuvre van Anneke Brassinga één geheel vormt, wordt in deze bundel overduidelijk aan getoond. Er zijn essays maar ook vertalingen opgenomen, net zoals ze in haar poëziebundels ook vertaalwerk als volwaardig eigen werk opneemt. Bovendien kunnen we een aantal overduidelijke parallellen vinden tussen gedichten in Het wederkerige en de essaybundel Grondstoffen. Het gedicht ‘Aan de Nesdijk’ vindt een pendant in het essay ‘Staat van genade’. De verwijzing naar Carnap in de reeks ‘Hoofdstukken voor R. Devriendt’ krijgt een echo in het essay ‘Caruleren piroten?’.

De aantrekkingskracht is haar autonomie. De manier waarop ze de wereld beziet, de dingen rond zich rangschikt, haar nooit erg expliciete maar toch duidelijke afkeer voor de laaghartigheid, de geldzucht, de huidige anticultuur. De essays van Brassinga moeten ook gelezen worden om te weten wat gelezen moet worden: Johann Peter Hebel, Robert Walser, Jean Paul, Karl Philipp Moritz. Bijvoorbeeld.

Advertenties