spiegel

door johan_velter

Niemand ist berechtigt, sich mir gegenüber so zu benehmen, als kennte er mich. (Niemand heeft het recht zich tegenover mij te gedragen, alsof hij mij kent.)
Robert Walser, ‚Das Kind‘, in Die Rose, 1924

Gij zult mij allen, allen kennen,
maar ‘k zal voor allen duister zijn;
Karel Van de Woestijne, De modderen man, 1920

Illi mors gravis incubat qui notus nimis omnibus ignotus moritur sibi. (Zwaar is het sterven voor hem die door allen gekend is maar die een onbekende gebleven is voor zichzelf.)
Seneca, Thyestes

Ach! wir kennen uns wenig,
Denn es waltet ein Gott in uns.
Friedrich Hölderlin, Der Abschied

Advertisements