aristoteles, levend

door johan_velter

aristoteles_middeleeuwen

Een nieuwe tijd vraagt een nieuwe moraal. Toch is het verrassend hoe de ‘nieuwe ethici’ zich naar het verleden keren en de weg van het formele denken niet verder ontwikkelen.

Het gaat om verschillende wegen. Het aloude, zwarte, vernederende conservatisme dat verdedigd wordt door Alicja Gescinska en de Verhofstadtbende. Een terugkeer naar de levensfilosofie waar men praktische richtlijnen geeft – die hopeloos en hulpeloos zijn. Wel van toepassing op een ander maar niet op mij. De nooit eindigende stroom boeken hier, toont aan dat dit een heilloze weg is: pleisters die niet kleven.

Er is een ‘nieuwe’ sociale weg. De moraal in het Westen is geëvolueerd van een extrinsieke naar een intrinsieke (en dit inzicht maakt elk zogezegd multiculturalisme onbegrijpelijk); het is de evolutie van de clan, de kaste, de groep, de bende naar het individu. Waar de moraal eerst gevormd wordt door de geschiedenis, het verleden, de gebruiken, is de moraal van het humanisme (dat in de Verlichting een eerste voleinding vond) gericht naar de toekomst omdat het de daadkracht bij het kritisch denken van het individu legt. Elk maakt zichzelf en elk maakt ook zichzelf nieuw.

Er is nu een omgekeerde weg. Zo wil Marli Huijer (Discipline : overleven in overvloed) het morele criterium bij de groep leggen: mensen moeten elkaar beloven waardoor ze de dingen ook gaan doen. Waar in het humanistisch denken het geweten in en door het individu in zijn leven verder uitgebouwd wordt, wil Huijer dit terug in handen van een repressieve groep leggen. Niet alleen wordt het individu daardoor verzwakt (de gemeenschap versterkt) maar ook wordt het begrip geweten zwakker gemaakt: afhankelijk als het is van de groep aan wie men de belofte gedaan heeft, afhankelijk van hoe clement of streng de groep is. (Bovendien is dit een verzwakte vorm van het ‘contract-denken’ (Rousseau, Rawls): een metafysisch, ideëel concept waarop geen maatschappelijk en individueel handelen geënt kan worden – het is een louter hypothetisch gegeven.)

Waar ethiek zich in vorige decennia richtte op structuren, formele kenmerken willen hedendaagse ethici de persoonlijke relaties tot hun domein rekenen – wat vroeger nogal lacherig werd afgedaan. Het is een zich terugtrekken in de veiligheid van het overzienbare; het is het toegeven van een onmacht. Waar het humanisme het individu sterk maakte om de maatschappij tegemoet te kunnen treden (en er zich niet door te laten vermorzelen) worden de ‘kleine’ relaties nu als norm genomen en wordt het maatschappelijke aan de kant geschoven. Dit is het verlaten van de wereld om een teddybeerleven te mogen spelen.

Toch is er ook nog een betere variant: een terug opnemen van de deugdenethiek en dus een herlezen van Aristoteles. Dit lijkt op een terugkeer van de maatschappij naar het individu maar deze weg combineert toch de twee visies. Waar een loutere nadruk op de structuren de persoonlijke verantwoordelijkheid weggomt en de nadruk op het persoonlijke de noodzaak van maatschappelijke actie doet verdwijnen, laat de deugdenethiek beide samenkomen. Het is al te gemakkelijk (vandaar de linkse hypocrisie) om te wachten met moreel handelen tot de maatschappij veranderd is; het is al te gemakkelijk (vandaar de rechtse hypocrisie) om maatschappelijk disfunctioneren te wijten aan de menselijke conditie – die onveranderlijk genoemd wordt.

Elisabeth Anscombe schreef in 1954 (Modern moral philosophy): ‘Aristotle distinguishes virtues as moral and intellectual.’: deugden hebben dus een emotionele én een intellectuele kant. Enerzijds het anekdotisme, anderzijds het formalisme, ja het procedurele. Een hedendaagse deugdenethiek ontwerpen is dus geen terugkeer naar ‘moralistische’ recepten maar een verinnerlijking van maatschappelijke functionaliteiten – die noodwendigheden zijn.

Advertenties