tussen roem en doem

door johan_velter

O nee, dat mag u niet van mij verwachten. De biografie van Johan Daisne (Johan Daisne : tussen magie en werkelijkheid 1912-1978 door Johan Vanhecke) heb ik niet volledig uitgelezen, slechts hier en daar enkele bladzijden, veelal vruchteloos op zoek naar interessante passages. Want wat een detaillistische drillerige opsommingsstijl gebruikt de biograaf. Braaf volgt hij wat Daisne voor hem uitgestrooid heeft, braaf schrijft hij alles (maar dan ook bijna alles op) en braaf adoreert de biograaf Daisne – natuurlijk is er wat blbl-kritiek, maar alla, we lezen het niet. Het boek is door Houtekiet bijzonder lelijk en oubollig uitgegeven, een boek lezen moet immers een straf zijn.

Neem bijvoorbeeld een willekeurige bladzijde (p. 109). Daisne is op reis (Rusland) en gaat een film zien. Johan Vanhecke schrijft de volgende zin waarbij u zich moet afvragen wat relevant is: “ ’s Avonds bezoekt hij met Natásja de Oedarniek, een mooie moderne bioscoop. Er is een dancing aan verbonden en een concertzaal, waar men kan wachten tot de vertoning begint. De film die hij ziet, speelt zich af op een kolchoz. Het valt hem op dat er enkel een hoofdfilm is en geen voorfilm of journaal, zoals in België.”

Even daarvoor schrijft Vanhecke dat Daisne ‘een van de aangrijpendste momenten van de reis’ beleefde wanneer ze ontvangen werden door een ‘harmonieorkest, dat bestaat uit kostgangers uit de instelling.’ De kostgangers zijn vrouwen die heropgevoed moeten worden. Maar wat er zo aangrijpend is, verklaart Vanhecke niet.

De biografie kon interessant geweest zijn als Vanhecke Daisne als een godfather zou beschreven hebben, iemand die vanuit zijn bibliotheek (en in zijn bibliotheek) zich de oppermeester waande, meende dat hij een moderne Dostojevski was, minzaam rond zich heen knikte maar ondertussen de meesten (en zeker de jongeren) naar de hel wenste, hem immers voor de voeten lopend. Dat doet Vanhecke in slechts beperkte mate omdat hij alles beziet door de ogen van Daisne (Vanhecke heeft het zeer uitgebreide archief van Daisne geordend maar Daisne heeft dit alles geschonken in de zekerheid dat men hem als een heilige zou beschrijven, althans wat in zijn ogen een heilige was: iemand die gelijk had, het schone beijverde).

Hoe oubollig Johan Daisne ook was, in zijn bibliotheekwerk heeft hij een aantal innovaties gebracht – ook dit boek doet daar geen recht aan.

Daisne heeft echter ook een ant-simenonboek geschreven (willen schrijven) waarmee hij zich met de meester wilde meten maar zich danig bezeerde.

Daisne is een belangrijke figuur geweest omdat hij zich als een spin in het literaire milieu bewoog. Hij had nogal wat formele en informele macht. De magazijnen van de Gentse stadsbibliotheek bevatten daarvan nog steeds bewijzen (ook al is er veel verdwenen): jonge dichters die een bundel aan de heer hoofdbibliothecaris Herman Thiery schonken, in de hoop dat Daisne een goed woordje voor hen zou plaatsen – net alsof ze een goedkeurende hondenlik van de grote baas verwachtten. Niet merkwaardig is dat de ernstige schrijvers dat niet deden. In die magazijnen zijn ook nogal wat dichterlijke ontboezemingen van Daisne te vinden: er mocht niets gebeuren of daar schreef Daisne weer een tranerig, parlandogedicht. Zogezegd klassiek en cultureel, in werkelijkheid vervelend en barslecht. Is het werk van Daisne nog leesbaar? Er is dat oppervlakkig, sentimenteel humanisme (beter: een vette, plakkerige saus); er is die dromerige melancholie; het gevoel te kort gedaan te zijn. Och en ach.

In de biografie is er een index en zo heb ik de passages opgezocht waar Hugo Claus vermeld wordt – de Gentse jaren van Claus worden immers nog altijd onderschat. Helaas maar niet verrassend is de informatie die Vanhecke ons weet voor te schotelen opgewarmde kost. Het is een detail en zekere zogezegde Hugo Clauskenners maken dezelfde fout maar de roman De Metsiers wordt wel degelijk zo geschreven en niet als De metsiers.

Pijnlijk is ook dat Vanhecke de ironie van Hugo Claus niet onderkent. Daisne verafschuwde Hugo Claus: zijn prijzen, zijn arrogantie, zijn publieke optreden. Dan schrijft Vanhecke (p. 587): “Nochtans [sic] is Claus helemaal niet kwaad op Daisne. In een interview in Boekenpost zegt Hugo Claus: ‘Ik heb een intens ontzag voor iemand als Johan Daisne die elke dag zijn vast aantal regels schrijft. Ik wou dat ik het kon. Het wijst op ernst en orde, dingen die ik helaas in mijn 38ste levensjaar nog steeds niet bezit, en zonder dewelke men geen meesterwerk kan schrijven.’” (Maar ‘ik wou dat ik het kon’? Claus zei over zijn eigen werkwijze: ‘Ik moet een bepaald aantal velletjes per dag volschrijven … zo werk ik al jaren. Ik ben een klerk, als ik niet een soort karwats achter mij heb, doe ik niets anders dan achteroverleunen en flauwekul uithalen.’ (Humo, 6.1.1972, interview door Herman de Coninck en Piet Piryns) : Vestdijk, Daisne, Claus.

Uiteraard wordt Daisne hier niet als een voorbeeld gezien maar wel als een ambtenaar die pseudo-meesterwerken schrijft (of beter: iemand die denkt dat er nog meesterwerken geschreven moeten worden), die orde kent en ernst belijdt. Als 38-jarige ziet Claus zichzelf nog steeds als de jonge schrijver die zich wil/moet afzetten tegen de gevestigde orde. En Daisne was gevestigd en ordelijk.

Op p. 445 beschrijft Vanhecke de zogenaamde vriendschap tussen Daisne en Claus (maar Claus wist wie aan de touwtjes trok: Daisne was een belangrijk figuur in het N.V.T. en een zeker genoegen zal Claus wel gekend hebben in dit ‘vriendschappelijk’ gedoe, vergeten we ook niet dat Daisne niet alleen een auto bezat maar er ook mee kon rijden, dat Claus dat niet kon en zich daarom liet meevoeren ‘met de meester’ naar de redactievergaderingen. Vanhecke suggereert verder op die pagina 445 dat Claus het literaire werk van Daisne apprecieerde en vertelt dan een anekdote die dit tegenspreekt. Alleen ziet Vanhecke die contradictie niet.

Mag een biografie iets meer zijn dan vertelseltjes aan elkaar rijgen?

Advertenties