wat details rond ‘de verwondering’ van hugo claus (7)

door johan_velter

Onder redactie van Mathijs Sanders en Tom Sintobin verscheen bij uitgeverij Vantilt Lezen in verwondering : veertien leeswijzers bij een roman van Hugo Claus. Vreugde zou ons deel moeten zijn: een volledig boekwerk gewijd aan een boek van een schrijver: dit gebeurt niet veel in deze tijden, in dit land van profeten en verkrachters. De vreugde werd minder toen ik begon te lezen en zakte telkens weer in na een vermeende opflakkering van intelligentie of ernst. Het begon al in de inleiding waar de samenstellers spreken over ‘De metsiers’ – waarschijnlijk denkende dat metsiers een dialectwoord voor metselaars is, maar wie het boek van Claus gelezen heeft, weet dat het gaat om een eigennaam en dus ‘De Metsiers’ moet zijn. Ach, een detail maar de details stapelen zich op en wat een voorbeeld had moeten zijn (voor studenten), is een contravorm geworden. De auteurs dachten waarschijnlijk de rijkdom van de literatuurwetenschap (wetenschap?) aan te tonen, de blurb op de omslag spreekt ten onrechte van ‘aspecten van cultuurwetenschappelijke benadering’, hun bedoeling is in het tegendeel gekeerd. Niet zozeer zijn de verschillende disciplines daar verantwoordelijk voor, maar wel de auteurs zelf: haastwerk, slordigheid. Maar wat vooral tegen de borst stuit, is dat ze de roman van Hugo Claus slechts als aanleiding genomen hebben om zichzelf in het zonnetje te zetten. Het boek is een schoolboekje geworden. Elke auteur moest zijn visie eerst verantwoorden met een ‘inleiding tot’ – daarna wordt de theorie toegepast op de roman van Claus. Het gaat dus om een deductieve manier van werken: eerst de dogma’s en daarna wordt de theorie aan de werkelijkheid van de roman aangepast. Als lezer heb je algauw in de gaten dat elke auteur zijn zinnetjes zoekt om zo zijn gelijk te halen. Hier zien we in de praktijk wat een politiek correct denken teweegbrengt: de werkelijkheid wordt achter een scherm geborgen, men is nog louter de ideologie gedienstig.

Leen Huet heeft in een recent blogbericht hiervan de consequentie getoond: het culturele is onmogelijk geworden doordat de culturelen aan het politieke de voorrang gegeven hebben, omdat ze het hoofd gebogen hebben voor domheid en de arrogantie van de brute macht

Het erge is bovendien dat de auteurs nauwelijks iets nieuws weten te brengen en wanneer ze de indruk geven iets te gaan beweren, schrijven ze dat ‘de ruimte te beperkt is’ waardoor deze ‘bijdragen’ toch enkel maar slordig bij elkaar geraapte voetnoten zijn bij het werk van Georges Wildemeersch, Paul Claes en G.F.H. Raat. Een aantal mogelijke benaderingswijzen ontbreken: het werk van Hugo Claus is bij uitstek geschikt om de werkwijze van Gérard Genette toe te passen (geschikt omdat Claus zowel een wereldlijk als een cultureel fenomeen was wiens producten de middelmaat ook materieel overstegen). De biografische benadering ontbreekt. En dat geldt ook voor de oeuvre-interne benadering.

Voor alle bijdragen samen is er 1 bibliografie opgenomen, wat te begrijpen is maar niet goed te keuren want daardoor (of ook daardoor) is die slordig en onjuist. M. Bachtin en M. Bakhtin zijn dezelfde persoon maar staan alfabetisch niet bij elkaar. De ene bibliografische nota verwijst naar een artikel, de andere naar een Engelstalig werk uit 1984, Rabelais and his world, maar er wordt niet vermeld dat dit een vertaling uit het Russisch is en niet de oorspronkelijke uitgave –zelfs niet in het Engels. Vanuit het artikel van Stéphanie Vanasten wordt verwezen naar Bachtin/Bakhtin 1984 maar telkens weer is het een raadsel of dit nu over het artikel of het boek gaat. (Een minder ergerlijke werkwijze maar evengoed slordig, is dat de samenstellers niet weten wat hoofdwoorden zijn: zo moeten auteurs onder eenzelfde term opgenomen zijn, in de beschrijving mag die afwijkend zijn. Kris Humbeeck en K. Humbeeck zijn misschien dezelfde figuur: de redacteurs hadden een beslissing moeten nemen.) In de inleiding wordt een verwijzing gelegd naar ‘Klein 2004’, in de bibliografie is enkel ‘2003’ opgenomen: is dit een fout of is dit een verwijzing naar een ander artikel? In de bibliografie is U. Van de Voorde opgenomen maar op p. 22 spreekt de verwijzing van ‘Vandevoorde 1962’. Wie? Wat?

Roland Barthes is opgenomen met een Engelse en een Nederlandse vertaling; wat de (2) Franse teksten van hem betreft: de ene keer naar het afzonderlijk verschenen werk, de andere keer naar de Oeuvres completes [sic].

Echo’s echo’s van Paul Claes wordt vermeld in de editie 2011 maar verzwegen dat de eerste druk verschenen is in 1984 bij De Bezige Bij.

De ergerlijke manie om in Nederlandstalige titels alle woorden nu ook, in navolging van het Engels – maar niet volgens de regels van de Engelstalige bibliografie – steeds met hoofdletters te schrijven, komt hier en daar tot uiting maar is niet consequent gebeurd.

Drie werken van René Girard worden in de bibliografie opgenomen: het gaat om drie vertalingen maar in het artikel van Gwennie Debergh kloppen de verwijzingen niet. ‘Girard 1986’ is niet opgenomen in de bibliografie. Blijkbaar heeft zij een verwijzing naar de originele werken opgenomen. Maar doordat in de bibliografie zelfs niet de oorspronkelijke titel en datum van uitgave is opgenomen, is een vergelijk onmogelijk. De samenstellers weten blijkbaar niet dat een bibliografie een wetenschappelijke toetssteen moet zijn.

Er zijn nog andere slordigheden. Typografisch is het verwarrend en dus onjuist dat de bibliografische referentie steeds na de eindpunt van de zin wordt opgenomen. Op die manier lees je de referentie als een nieuwe zin: ‘[…]. (De Geest […])’. In het artikel van Lut Missinne over de vertalingen van ‘De verwondering’ in het Frans en het Duits (merkwaardig genoeg wordt de Engelse vertaling niet onderzocht) wordt verwezen naar de uitgeverij ‘Editions complexes’ – die nooit bestaan heeft en wordt de inleider van de Franse vertaling plots Leroy, i.p.v. Claude Roy. Merkwaardig is ook dat hier niet over de functie van deze inleiding gesproken wordt, dat deze inleiding haaks staat op het eigen werk van Claude Roy – en dus ook zwijgt over de relatie tussen Claus en Roy. Of dat de Duitse uitgave geproblematiseerd wordt: welke vertaalpolitiek werd hier gevolgd om twee Duitse uitgaven op de markt te brengen (eerst de DDR en daarna toenmalig West-Duitsland) – en betekende dit iets of niets ? (In de bibliografie worden zelfs de vertalers van deze werken niet opgenomen en een ondeskundige kan veronderstellen dat Hugo Claus een polyglotte schrijver was.) En daarmee komen we op de kernproblematiek: alle auteurs raffelen hun eigen lesje af maar er is geen gezamenlijke benadering geweest. Elk droeg zijn eigen oogkleppen en bleef braaf binnen zijn kooi. Samenwerking had in sommige gevallen kunnen leiden tot inzichten, nu blijft men amechtig happen naar een inzicht.

Advertenties