hugo claus en de anderen

door johan_velter

Uit nieuwsgierigheid kijk ik nog enkele andere passages na in Belladonna, de roman van Hugo Claus, en vergelijk de eerste druk van 1994 met die van 2004 (De romans, deel IV). Deze roman heeft in de poëzie als tegenhanger Almanak. Beide boeken een grabbelton, een verzameling uiteenlopende stijlen, een groteske soms, een burleske, maar ook gevoelige, ja zelfs mededogende stukken. In Belladonna spuwt Claus zijn haat uit tegen de parasieten, de instellingen die de creatieve mens uitbuiten en die niet doen wat ze in een beschaving geacht worden te doen. Volgens sommige Antwerpse zogenaamde literatuurwetenschappers was Claus ‘eigenlijk’ (elk essentialisme toont de leugen) een Vlaming, was hij de Vlaamse zaak genegen en zou hij nu juichend ook deze Vlaamse, Antwerpse pseudowetenschappers, de leugenaars van beroep, begroeten. Maar deze zogenaamde literatuurwetenschappers die liever de fascistische Filip De Pillecyn lezen (omwille van zijn schone ( stijl), lezen ook het werk van Hugo Claus niet – want ook in deze roman toont Claus aan hoe het Vlaamse het holle vertegenwoordigt, hoe omhooggevallen bekrompen de nieuwe Vlaming is en hoe zijn instellingen slechts zijn verwrongen werpselen zijn – en dan heeft Claus nog niet de huidige uitwassen van die kleinburgerlijke slaven gezien.

‘Hoofdstuk 87’. 2004, p. 445: ‘[…], na de revelatie van H. Grootaers’ al te menselijke relatie tot eccramenten […]’. Eccramenten? Sacramenten? Nee:

1994, p. 278: ‘[…], na de revelatie van H. Grootaers’ al te menselijke relatie tot excrementa […]’. Grootaers heeft nogal last van stoelgang en wordt in het verhaal daartoe gereduceerd. Bovenstaande citaten komen uit een ambtelijk verslag en beide woorden zijn mogelijk: allebei duiden ze op een gewichtigdoenerij, het omzwachteld omschrijven van wat beter verzwegen zou worden.

Een ander voorbeeld in hetzelfde genre:

2004, p. 477: ‘Autofictioneel verbuigen beeld en spraak zich tot een fiasco dat uiteraard de metonymia uitmaakt van een algemeen verlamd afgrijzen.’ Hugo Claus parodieert hier uiteraard de lege taal van pseudowetenschappers: zij die de taal geweld aan doen. Binnen de parodie is het woord metonymia uiteraard mogelijk, maar:

1994, p. 315: ‘Autofictioneel verbuigen beeld en spraak zich tot een fiasco dat uiteraard de metonymie uitmaakt van een algemeen verlamd afgrijzen.’ Hugo Claus hoeft het gebruikelijke woord metonymie niet te veranderen omdat de zin al onzin genoeg is – soms wordt metonymia nog gebruikt. En zelfs in deze parodie is Claus een listige schrijver want de betekenis van metonymie is het vervangen van een woord door een ander (bijvoorbeeld: ‘dat is een goede Claus’ voor ‘dat is een goed werk van Claus’) en het is de constante verschuiving die in Belladonna centraal staat: het gluiperige, het glibberige van de corruptie, de domheid, de smeerlapperij, de ontucht, de hypocrisie, de geldzucht, de onbekwaamheid. In beide gevallen zou je kunnen gewagen dat de eerste editie misschien wel fouten bevatte.

Daarentegen staat een dt-fout in beide edities: ‘waarin hij met grote openheid gewaagd van zijn verhouding met God.’ (2004, p. 486 en 1998, p. 326).

Ook in deze roman verwijst Hugo Claus naar andere cultuurvormen, tot spijt van wie het benijdt: niet naar jazz. Misschien wel de meest opvallende is de referentie naar William Gass, ook hier in een sarcastische scène waar Claus het pseudodenken aanvalt, waar hij de clichés onderuithaalt: Een student vraagt Axel Den Dooven: ‘Wat vindt u van de verwijzingen naar de temporaliteit die William Gass maakt en die natuurlijk niets met chronologie te maken hebben?’ (1994, p. 266). Het mooie is dat we hierbij direct moeten denken aan de essaybundel van Gass, Tests of time – verschenen in … 2003. (William Gass is nog altijd niet in het Nederlands vertaald – hoe laag die landen.)

Advertenties