brassinga sextus empiricus

door johan_velter

In de ‘Aantekeningen’ bij de bundel  Verschiet (2001), schrijft Anneke Brassinga dat het citaat in het gedicht ‘Sextus Empiricus’ Grondslagen van het scepticisme toegepast op de liefde’ uit de vertaling van R. Ferwerda (Ambo, 1996) daar te vinden is op p. 183.

Het gedicht was eerder gepubliceerd in De Gids (2000, nr. 1)
( http://www.dbnl.org/tekst/_gid001200001_01/_gid001200001_01_0005.php ) en daar staat dat het citaat te vinden is in ‘Sextus Empiricus: Hoofdlijnen van het pyrrhonisme, boek III hoofdstuk 12; vertaling R. Ferwerda, Ambo 1996 (‘Hoofdlijnen’ is een van de deeltitels in de ‘Grondslagen’)’.

De tijdschriftversie is een iets andere dan de boekversie in Verschiet (en in Wachtwoorden: verzamelde gedichten).

‘Een nieuwe taal’, schrijft Ingeborg Bachmann in haar eerste ‘Frankfurter college’ (vertaling Paul Beers, 1991), ‘moet een nieuw geluid hebben, en dit geluid heeft ze alleen als ze door een nieuwe geest wordt bewoond. We denken dat we haar allemaal kennen, de taal, we gaan toch met haar om ; alleen de schrijver niet, hij kan niet met haar omgaan. Ze jaagt hem angst aan, is voor hem niet vanzelfsprekend, ze is er ook al vóór de literatuur, voortdurend in beweging, bestemd voor een gebruik waarvan hij geen gebruik kan maken.’

Sextus Empiricus schreef zijn overzichtswerk rond 200 na christus: de gelovige barbaren hadden dan al de macht overgenomen, wat hij schreef was een herinnering aan betere tijden. Het scepticisme was als een scheermes: het sneed die zaken weg die overbodig waren, die een mening, een gedachte verduisterden. De sceptische filosoof toonde met zijn tropen aan dat de waarheid onkenbaar was. Immers, alle oordelen zijn afhankelijk – van de verscheidenheid der wezens, de mensen, de zintuigen, de gemoedsstemming, de plaats waar object en subject zich bevinden, de onduidelijkheid der gegevens, de verandering van de dingen door de kwantiteit, de betrekkelijkheid van kennis die door zintuigen verworven is, de gewoonte van waarnemen, ervaren, de veelheid van cultuurhoudingen. Al deze zaken vertroebelen de waarheid en wat ‘het ding’ dan is, is niet te bepalen. We moeten ons oordeel opschorten maar dat leidt binnen het scepticisme niet tot wanhoop of onverschilligheid. De levenskunst is die van een afstandelijke geïnteresseerdheid, het doel is, zoals Störig schreef, een ‘zielsrust’ te bereiken. Kennis, moraal en geluk zijn een eenheid.

Het is die drie-eenheid waarmee Anneke Brassinga botst. Ze weet dit, maar ze doet en ervaart dat. Haar werk is een constante dialoog met andere schrijvers, boeken, gedachten, stromingen: hoe te leven in deze tijd, hoe de woorden van de ouden te vernieuwen om nu en hier beter te leven. Het citaat van Sextus Empiricus luidt: ‘Dat wat van iets wordt weggenomen / moet voor die wegneming omsloten zijn // door dat waarvan het wordt weggenomen. / Dat wat omsluit moet immers groter zijn // dan wat omsloten wordt.’ Moeilijk geformuleerd om te zeggen dat iets aan iets moet toebehoren en dat wat weggenomen wordt, deel moet zijn van een groter geheel.

Brassinga past dit nu toe op de liefde met een formule: ‘1+2+… (n-1) + n= ½ n (n+1)’ en ze verklaart: ‘de som omsloten door ons pover achttal / ledematen […]’. Het liefdespaar, het koppel is het geheel; een deel kan weggenomen worden. Maar die acht ledematen waren al ‘een baaierd van zesendertig’; een chaos dus, (is 36 het getal van het lot, van wat iemands bestemming is?), elk brengt daarenboven zijn eigen duivels mee en in die chaos wemelden zeshonderdzesenzestig slangen in hun kuil. 666 is het getal van de duivel, (Zwerm van Peter Verhelst bevatte 666 tekstbladzijden). Om de afgrondelijke diepte te suggereren gebruikt Brassinga de numerologie: een heilloze weg die pseudo-kennis oplevert en in het teken van de liefde is alle exacte kennis irrelevant. Want het gevoel is niet het weten: ‘wat door ons / werd omsloten had immers de grootte / van een heel heelal.’: dit is het scepticisme toegepast op het scepticisme van Sextus Empiricus. Wat we weten (aftrekken, optellen) is afhankelijk van ons standpunt, van wie we zijn. Wie de liefde bezit, spreekt anders dan wie de liefde verliest. De ervaring van het samenzijn is een geheel, is geen onderdeel van iets anders of een toevoeging maar een eenheid die zonder de wereld bestaat, een eigen wereld is. Het geheel bestaat uit vele gehelen.

Brassinga’s wereldvisie is gebaseerd op haar eigen levenservaringen en dus schrijft ze: ‘Nee Sextus, was er / maar iets weggenomen. Het nam zijn weg.’ De taal neemt het hier over van het begripsvermogen: was er maar een deel weg, nee wie het al bezeten heeft, kan ook het al verliezen. En op die ervaring wordt een moraal gebaseerd, de afstandelijkheid heeft niet geholpen, was zelfs nooit een te overwegen mogelijkheid (want wie afstandelijk is kan nooit het al bezitten/verliezen). En zo corrigeert Brassinga Sextus Empiricus een tweede maal (en een derde maal door hem zijn ‘grondslagen’ honend anders toe te passen): ‘Te zeggen is hoogstens dat het overal / in die ontelbaarheid heeft pijn gedaan // de grondslagen te voelen aan den lijve.’

Via een omweg beschrijft Brassinga ons de liefdespijn. Zoals zo dikwijls bij haar gaat het om het gevecht tussen hartstocht en rede en hoe de pijn een gevangenis is.

Advertenties