ik zag dat werk en ik voelde een gedichtje komen

door johan_velter

De gedichten van Peter Verhelst balanceren voortdurend tussen een al te grote sentimentaliteit en een afwijzen van de poëzie als genre. Dit is geen verwijt want dat is precies het dichterschap van Verhelst waar hij zich bewust van is – verwar zijn poëzie niet met het al te lyrische, maar ook niet met het louter gebrokene. Hij wil domeinen oprekken: als iets als kitsch aanvoelt, dan zal hij het domein exploreren en bewust in de poëzie binnenbrengen. Door dit te doen maakt hij een analyse van onze tijd én tracht hij de grenzen, de beperkingen ervan te verleggen. Soms speelt Verhelst met dat botweg kleineren van kunst terwijl dit spel ook essentieel is voor hem: het is een manier om dan toch afstand te nemen van wat hem beweegt of ontroert.

Ontroering, nog zo’n woord dat niet gebruikt mag worden in hedendaagse, ernstige poëzie. Peter Verhelst stuurt op ontroering aan bij zijn lezer juist omdat dit voor hem zelf de vonk is. Op een ‘Middag van de poëzie’ (14 januari 2015) in het Gentse Poëziecentrum interviewde Bart Vervaeck de dichter. De middag was een van de beste die ik ooit meegemaakt had: de professor wist wat hij vertelde – waarschijnlijk is er niemand die dit oeuvre zo bestudeerd heeft -, hij was charmant en durfde een stelling in te nemen. Peter Verhelst trok zich niet terug maar antwoordde open en duidelijk. Nu en dan kon hij het niet laten om een cynisch tussenvoegsel  in te lassen (‘ik zag dat werk en ik voelde een gedichtje komen’), zo werd alles in het reine getrokken.

Verhelst heeft zichzelf ooit de laatste katholiek genoemd en er is wel iets van, tenminste als we katholiek en Middeleeuwen samen nemen. (Maar toen Vervaeck een band met Guido Gezelle wilde suggereren, werd hij onmiddellijk een halt toegeroepen: Gezelle, nee, nooit en niet.) Want er zijn niet veel mannelijke dichters die tegelijkertijd sentimenteel, ja soms truttig, durven te zijn maar ook mannelijk en ernstig, doordacht en zelfbewust. Hij beschrijft zijn ‘Werdegang’ als een evolutie van een autistische naar een kwetsbare taal. Ooit heeft Verhelst de poëzie afgezworen – de bundel Kers op tong die door Druksel in 1999 werd uitgegeven, was een eerste schuchtere stap terug in de richting van de poëzie. Ik herinner me nog dat Peter Verhelst zelf verwonderd was over de gevoeligheid, de betrokkenheid en de emotionaliteit van zijn eigen woorden toen.

Verhelst exploreert de erotiek, het persoonlijke zonder klef te zijn: hij kan dit omdat hij de psychologie achterwege laat – altijd het kenmerk van slechte poëzie – en de woorden hun eigen werking laat. Hij registreert dat heftige en objectiveert het in de taal die daardoor een wij-vorm aanneemt – was het een ‘zij’ dan zou het om een veroordelende poëzie gaan. De emoties worden niet weggestoken, of weg gerationaliseerd maar komen met hun zenuwen bloot te liggen.

De kern van dit oeuvre is de leegte, het gemis. Niet het larmoyante missen of het pogen te herstellen maar het verlangen naar een leegte, naar het gemis zelf. Het is een ontroostbaar verlangen naar eenheid maar omdat het dit bewust is (dat het ontroostbaar, dus niet op te lossen is; dat het een verlangen is, dus geen werkelijkheid) maakt deze poëzie hedendaags. Het verlangen om het verlangen. Er lijkt weinig rationaliteit in deze gedichten aanwezig te zijn – dit is niet helemaal correct.

Vanuit dit gemis, heeft Verhelst ook een maatschappelijk engagement aangegaan – zonder in de sociaal-artistieke val getrapt te zijn: men heeft dat in Gent wel gepoogd, hij heeft dit geweigerd: niet elke stadsdichter wil (kan) de voetveeg, het schaamlapje en de hondsvot van een nationalistisch-socialistisch beleid zijn. Binnen het theater en zelfs binnen een stedelijke context wil hij plekken creëren waar de stilte op het gebral veroverd wordt, waar mensen zich kunnen terugtrekken. Niet gebeurt dit vanuit een therapeutische praktijk maar vanuit een artistieke: de kunstenaar wil in deze hysterische tijden ook zwijgen.

Advertisements