het eiland van het tweede gezicht (4)

door johan_velter

albert vigoleis thelen

Andere namen (de opsomming is als een bollenwinkel, veelgekleurd, veelbelovend, veelvuldig), en de lijst is niet volledig: Augustinus, Spinoza, Heine, Schaeffer, Charlotte Corday, Picasso, Van Oorschot als uitgever van dit boek (en auteur en uitgever hebben fysiek en vestimentair enkele kenmerken gemeen), Velasquez, Bismarck, Bakoenin, Ballanche, Unamuno, Arthur en zijn ridders van de ronde tafel, Miró, Robert Graves, Jakob Böhme, von Tschirnhausen [d.i. Ehrenfried Walther von Tschirnhaus, de correspondent van Spinoza], Schnitzler, Richard Strauss, Hofmannsthal, Max Scheler, Otto Dix, Hauptmann, Sappho, Bernanos, Antoine Jean Gros, Brentano, Hermann Keyserling, Goethe, Kant, [Kierkegaard – in een verwijzing naar de filosofie van het of-of], Frederik de Grote, Hölderlin, Angel Ganivet, Welikosky, Shakespeare, Gottfried Keller, Victor E. van Vriesland, Rilke, Santa Teresa, Tacitus, Jakob Wassermann, Paulus, Gropius, Novalis, Johannes van het Kruis, Aldus Manutius, Goya, Vicky Baum, Ernst Zahn, Dante, Camões, Newton, Buffon, Clausewitz, Moltke, Gneisenau, François Villon, Joseph Roth, Hans Ehemann, … Morgen meer.)

Een detail. Op p. 201 schrijft Thelen: ‘[…] waar de iepen allang het slachtoffer waren geworden van het grote sterven.’ – waaruit blijkt dat de grote iepenepidemie al meer dan een halve eeuw aan een opmars bezig is.)

Er zijn de fantastische beelden: Eros en de vleeshouwer, de slagers met een staart; Pilar, de ‘hoer’ als ‘de eilandvenus die uit het schuim der zee was opgestegen’,)

Als het over fatalisme gaat, komt de naam Spinoza normaliter ook voor. Zo ook hier. Maar Spinoza wordt ook voor andere wijsheden gebruikt: ‘En is de haat eenmaal aanwezig, dan streeft hij ernaar de uiterlijke oorzaak van zichzelf uit de wereld te helpen. Dat heeft Spinoza juist gezien. Men wil de ander vernietigen en wel definitief, er bestaat geen uitweg meer: jij of ik.’ (p. 122, in de vertaling van Wil Boesten, Signature, 2004).)

Boeken als Het eiland van het tweede gezicht functioneren altijd als een dialoog, de lezer wordt aangesproken: ‘[…], maar de lezer moet zelf ook een beetje meewerken en zijn fantasie gebruiken. Dat vergroot de bekoring onder het lezen, zo vergaat het mij althans bij anderen, en het brengt een zekere kameraadschappelijkheid tot stand die de moed er op deze wandeltocht inhoudt tot aan het finis operis.’ (p. 130): hier zien we duidelijk hoe literatuur voor Thelen een menselijke daad is, hoe de schrijver een kameraad is die niet de alleswetende verteller moet spelen en hoe hij wacht op het salvo van de lezer om verder vuurwerk te kunnen afsteken.)

Hoofdstuk III uit het tweede boek begint met ‘Kleine oorzaken hebben dikwijls grote gevolgen, nog kleinere kunnen vaker nog grotere hebben en helemaal geen oorzaken hebben het vaak de allergrootste gevolgen. Laten we de wereld als voorbeeld [van dit laatste] nemen: ze is geschapen uit het niets en daarmee de grootste ramp die de wereld ooit heeft aanschouwd.’ (De zin loopt niet echt goed, meer te wijten aan de vertaling dan aan Thelen zelf.) Thelen is een atheÏst die de bijbel door en door kent, die mystieke geschriften doorgrondde en vertaalde, een vat vol tegenstellingen. In bovenstaand citaat kunnen we een echo van Lucretius horen.)

Thelen gebruikt, net zoals de Jacques van Diderot, de Voorzienigheid, het Lot om het eigen gedrag te rechtvaardigen, om het onredelijke en onberedeneerde toch te doen kloppen: hoe onzinnig de dingen ook lijken, ze zijn de beslissing van het fatum. Hij tracht zijn Beatrice te overtuigen: ‘Je hebt er weer eens geen idee van hoe alles in elkaar grijpt, dat er zelfs een Voorzienigheid bestaat die ons naar doelen leidt die alleen haar op heldere momenten duidelijk zijn.’ (p. 226).)

In een stuk over de inspiratie en het gevecht met het materialisme: ‘En van boven daalde zwijgen neer op de jonge man die met het noodlot in het krijt wilde treden.’ (p. 245).)

Of de Voorzienigheid als een ‘bonne à tout faire’ die echter een handje geholpen moet worden – hier zie je weer de fantastische geest van Thelen aan het werk: ‘[…] die handkar met piano kwam dus niet onverwacht, die kar was ook Voorzienigheid, net als het touw waaraan ik haar hielp voorttrekken, en deels was ze een voortbrengsel van mijn fantasie, waarvan ik genoeg bezit om het bijbelse aspect van een situatie verder uit te werken.’ (p. 259) – Het eiland van het tweede gezicht is veel meer dan een avonturen- of een schelmenroman: het toont hoe de cultuur het leven kruiden moet, hoe het humane in de humane cultuur te vinden is. Of even verder waar Thelen schrijft ‘God had iets anders met me voor’ (p. 260). Of als de schrijver weer eens tracht zichzelf te verklaren: eenvoudig verklaren is een verklaring zonder de Voorzienigheid te gebruiken (p. 265): toch is Vigoleis een deel van de gespleten persoonlijkheid dat slechts na de geboorte geboren is – door omstandigheden en voorbeschiktheid dus: dit is het tweede gezicht (en nu in het begin van de 21ste eeuw denken we bij deze uitdrukking aan het adembenemende oeuvre van Javier Marías). Het is de kunst om de grappige kant van het lot te zien (p. 268) – en ook dit is een diderotiaanse houding. Niet zozeer het lot vervloeken maar wel aanvaarden en er het beste van maken. De Griekse houding. Er zijn ook stemmen van andere culturen die hetzelfde bevestigen: ‘Alles is al eens vertoond, zegt Rabbi ben Akiba.’ (p. 322). Hebben we hier te maken met een uitgewerkte filosofie? Bijlange niet. Wat we meemaken is hoe woorden en gedachten gebruikt worden om verder te doen, om niet te moeten opgeven. De chaos is het leven zelf, de ene gedachte kan maar bestaan zonder de anti-gedachte. Toch is er een systeem. De ondoorgrondelijkheid van de goden wordt vervangen door de ondoorgrondelijkheid van het leven zelf: de mens zoekt antwoorden maar zijn vragen zijn verkeerd geformuleerd. En er is de figuur van Beatrice. De vrouw, de muze van Vigoleis. Zij is de lezende, berustende vrouw op de achtergrond; Vigoleis de actieve component die alles in de war stuurt en zogezegd, in zijn daden, met de voorzienigheid een loopje neemt maar eind goed, het lot beslist. Ondanks de vastgelegdheid van het universum, toch handelen en dit tot een spel reduceren. ‘Dat oog mocht de volgende zet doen op het bord van ons lot. Wij speelden met zwart en verloren.’ (p. 341). Want: ‘[…], laten we de dingen bij de naam noemen, hij [Vigoleis] timmert met zijn metafysische levenslisten toch zijn eigen bestaansmogelijkheden dicht en als u het mij vraagt, neem me niet kwalijk, eindigt hij nog in een ton.’ (p. 342).)

Beelden, uitdrukkingen: ‘alles grijpt in elkaar als in een wormoverbrenging’ – maar wat betekent dit?(p. 247). De bon-mots vliegen de deur uit: ‘Wanneer de hemel faalt, is de aarde vaak erg vrijgevig.’ ‘Ik had zeer met die heidense kindertjes te doen. Tegenwoordig heb ik nog meer te doen met die gekerstende kinderen.’ ‘Het wezen van de aristocraat bestaat erin dat hij zich niets aantrekt van het gepeupel, ook al heeft dat hem allang uit het zadel gelicht.’ ‘Iedere kerk die aanspraak maakt op universele betekenis moet over lijken gaan als ze niet haar eigen graf wil graven.’ ‘Te dom en niet dom genoeg: op die rots kan een heel leven schipbreuk lijden.’ In deze uitdrukkingen ziet men dat de beelden niet zuiver zijn, ze zijn van her en der aangesleept en lijken toevallig bij elkaar te liggen, aangespoeld van god weet waar. De beelden zijn niet afgerond, cultureel fijngewreven maar ruw en hebben een fantastische kant, een snelheid van denken kan er van afgelezen worden.)

(Foto: Beatrice, Geert van Oorschot, Albert Vigoleis Thelen en Ursula Diederichs)

Advertisements