dwalen

door johan_velter

de spektakelmaatschappij_debord

Men mag dan nog het woord ‘dérive’ in verband met het huidige werk van Pierre Alechinsky in verband brengen en daarbij weten dat hij lid geweest is van de Situationistische Internationale, toch mogen we zijn werk niet (meer) zo benoemen. Ja, hij transformeert een bestaande tekening tot iets anders, hij wijzigt het beeld en de afgeleide betekenis maar daar blijft het bij. Hij verandert niet de functie: hij blijft steken binnen een artistiek-commercieel systeem. De wijzigingen worden zo ‘iets apart’ en daardoor vrijblijvend en nietszeggend. Kunst. De ‘dérive’ van Guy Debord is een activiteit die weliswaar ook steunt op een andersoortig gebruik en gelieerd is aan de ervaring maar het doel moet een transformatie zijn die de lijnen overschrijdt. Dan blijft men niet langer binnen de esthetica maar is men in het gebied van de moraal en de axiologie beland.

De omkering, le renversement, is niet louter een spel maar een ideologisch standpunt. Als de macht zegt dat ze de macht bij het volk legt, dan is het juist het omgekeerde – George Orwell heeft dit mechanisme in zijn roman ‘1984’ duidelijk gemaakt, helaas is dit ook een voorbeeld van hoe een generatie geen lering getrokken heeft uit haar literatuur. De situationisten (en de gasten van Hara Kiri) hadden de gave van het woord en de slogan, ontmaskerden op die manier de pretenties en de leugens van de macht. De onderliggende assumptie is dat taal ideologisch is en daarom een dialectische transformatie moet ondergaan.

‘De spektakelmaatschappij’ (1967) is 1 van de grote sociologische, cultuurfilosofische werken van de twintigste eeuw en ondanks de grote kloof tussen Guy Debord en Adorno, is het opvallend hoe het geschreven oeuvre van beide filosofen dicht bij elkaar staat. Er is hun apodictische stijl, hun pessimisme, hun aanval op de Westerse ‘rationaliteit’ (of beter de eng-Westerse interpretatie van rationaliteit). De lezer ervaart bij beiden dezelfde gewaarwording: het lezen moet traag gebeuren en elk woord, elke zin is een bouwsteen die niet mag overgeslagen worden. De structuur van ‘De spektakelmaatschappij’ (in het Nederlands bij ‘Het wereldvenster’ verschenen met de nog steeds prachtige omslag van Frits Stoepman) is gelijkaardig aan die van Adorno’s ‘Minima Moralia’: korte, genummerde stukken die als alinea’s gelezen kunnen worden, of als aparte essays, maar samen een gedachtegang uitmaken die een conclusie voorbereiden.

Bij de Parijse uitgeverij Farândola is onlangs een zelfstandig addendum verschenen, ‘Additif à la troisième édition du relevé des citations ou détournements de La société du spectacle’ (juin 2014), dat de vorige versies van Gallimard vervangt. In 1971 verscheen een Portugese vertaling en Debord gaf de vertalers een geannoteerde editie waarin ze zijn ‘afleidingen’ (ook in de betekenis van afwijkingen) konden vinden. De redacteur, Pedro Jofre, schrijft in zijn voorwoord: ‘[…] l’identification de ces phrases détournées fait apparaître La société du spectacle comme un surprenant palimpseste, dévoilant dans toute son ampleur le ‘double fond’ inhérent à la pratique du détournement.’

addendum_debord

Uiteraard komen de namen van Marx en Hegel veelvuldig voor maar verrassend is bijvoorbeeld de eerste annotatie die nummer 19 behandelt, dat handelt over het spektakel als gevolg van het Westerse zien. Het volledige stuk luidt als volgt en is in deze tijd nog belangrijker geworden dan in de tijd van Debord omdat de media nog dominanter zijn en omdat de huidige teksten, als tekst, meer en meer tenderen naar het beeld waar dus de analytische kracht van het schrift verloren gaat. ‘Het spektakel’, schrijft Guy Debord, ‘is de erfgenaam van de gehele zwakte in het streven van de Westerse filosofie, dat een begrijpen van de activiteit inhield vanuit de overheersende categorie van het zien; zoals het zich ook baseert op de ononderbroken ontplooiing van precies de technische rationaliteit die uit dit denken is voortgekomen. Het verwezenlijkt niet de filosofie, het maakt de werkelijkheid filosofisch. Het is het concrete leven van allen dat vervallen is tot een speculatief universum.’ (En zie hoe dicht vooral deze laatste zinnen bij Adorno’s ‘Negatieve dialectiek’ staan.) Het begin van nummer 19 is een ‘détournement’ van Johan Huizinga’s ‘Herfsttij der Middeleeuwen’ waarin hij schrijft dat het zien 1 van de fundamentele kenmerken van de Middeleeuwen is en dat dit een verschrompeling van het denken teweeggebracht heeft.

Nummer 202 bevat de zin ‘De structuur is de dochter van de macht.’ (en ik citeer de Nederlandse vertaling van Jaap Kloosterman en René van de Kraats) en deze alinea is een vervorming van de sarcastische ‘Instructies voor het huishoudpersoneel’ van Swift: ‘De loftuiting is de dochter van de macht.’

In zijn werk verwijst Debord in een aantal passages kritisch naar ‘L’image’ van Daniel J. Boorstin (de Franse vertaling van ‘The image’ uit 1961). Het derde hoofdstuk handelt over het reizen, ‘From traveler to tourist: the lost art of travel’ en ook hier kunnen we een band met het werk van Debord zien: de vrijheid van het reizen (het toeval, de ongedwongenheid, de openheid) is vervangen door de dwang van het weg moeten zijn (de organisatie, de uitgaven, de toeristische clichés, de leugen van de onbevangenheid). Het dwalen in de stad, het flaneren van de dandy is een anti-toeristische activiteit. Het toerisme moet immers een doel bereiken en moet het bereikte vastleggen.

Bij Debord en de situationisten moet de omgeving door de activiteit veranderd worden, moet de wereld in het domein van de vrijheid en de verbeelding getrokken worden. De toeristen, ja misschien zelfs de ‘avontuurlijke toeristen’ het meest, zijn slechts de uitvoerders van de kapitalistische rationaliteit, de consumptiedwang, het dwangmatige bezig-zijn. Debord verwijst (impliciet) naar de Middeleeuwen (of dan toch naar een voor-kapitalistische maatschappij) waar de leegte wel toegelaten werd. In stelling 169 schrijft Debord: ‘Het urbanisme is die inbezitneming van de natuurlijke en menselijke omgeving door het kapitalisme, dat in zijn logische ontwikkeling tot absolute overheersing nu de totaliteit van de ruimte kan en moet herscheppen als zijn eigen decor.’ Waarmee aangetoond is hoe de zogenaamd groene en socialistische schepenen en burgemeesters die de huidige steden tot belevingsplaatsen omvormen slechts de waterdragers zijn van de woekerende vernietiging die heet: kapitalisme.

Advertenties