james ensor, het waaien

door johan_velter

James Ensor wordt geassocieerd met carnaval en maskers maar veel te lachen is er niet in dit oeuvre. Ja, hij hekelt machthebber en burgerman, er is een misogyne ondertoon in dat werk maar vooral een verbetenheid, niet een superieur lachen van een Picasso, een Picabia of een Duchamp – die niets verwachtten en daardoor autonoom konden blijven – en misschien is dit de verklaring van de breuk tussen de jonge en de oude Ensor. James Ensor is nog een kind van de 19de eeuw: kunst heeft een aura, is een bovenmenselijk streven. Hij slaat barsten in dat glas, maar breken doet hij niet. Ook de massa die hij tekent is niet de massa die feestviert maar eerder een log beest dat sluipend gevaarlijk is, het is ook de angst van de burger voor de nieuwe tijd van het proletariaat. De ets ‘La cathédrale’ is daarvan een voorbeeld: aan de grond de dreiging van het volk en daarboven, uit perspectief getekend, de dreiging van de kathedraal die voor de wereld staat. Het individu dreigt vermorzeld te worden.

Toch kan een aantal werken de indruk van een vrolijkheid wekken. Zo is ‘Muziek in de Vlaanderenstraat’ (1891) een werk dat denken doet aan ‘quatorze juillet’ in Frankrijk of aan een zondagse kermis van Gustave De Smet – bij Ensor gaat het echter wel over de stad (zelfs als Vlaamse expressionisten stedelijke taferelen weergeven, blijf je de mest ruiken). Het is vooral de kleurzetting die ‘Muziek in de Vlaanderenstraat’ een feestelijk karakter geeft. Zo doet ook Frans Budé dit in zijn reeks gedichten bij schilderijen, ‘Niemand ziet’ uit de bundel ‘Bestendig verblijf’ (2009) maar er gebeurt toch meer in het gedicht dan wat er te zien is. Het schilderij zelf geeft een statische indruk: de fanfare, de soldaten strak in het gelid, zo staan ook de huizen: verticaal en streng afgelijnd. In het schilderij worden verschillende perspectieven naast elkaar gezet: links de al te nabije woning, rechts de huizen vanuit de hoogte gezien, de mensen (in feite de massa) worden vanuit een lager perspectief geschilderd, er is geen verdwijnpunt waardoor de straat een claustrofobische indruk geeft. In het begin van het gedicht beschrijft Budé wat er op het schilderij te zien is; in de tweede strofe brengt hij de wind binnen: ‘[…], wind steekt op, uitzinnig, / blaast muziek in het gordijn, kleuren, // druk doende, klapperen lustig over straat.’ Er is een tegenstelling tussen het uitzinnige en het lustige net alsof de wispelturigheid van weer en schilder overeenstemmen (‘het weer en de vrouwen zijn niet te vertrouwen’). De wind wordt aangevoerd vanuit de zee: ‘Achter alle huizen om loopt de zee uit, / danst schuim op de golven, waait tot hier.’: wat niet op het schilderij te zien is. Budé schrijft over de inspiratie die onzichtbaar ontstaat, de dingen doet bewegen, het leven geeft, niet te vatten is.

james ensor_stormwind aan de rand van het woud_1888

In de reeks ‘Laaglandse hymnen’ van H.H. ter Balkt komt het gedicht ‘De windvlaag aan de woudzoom (Ensor)’ voor. We vermoeden dat het hier gaat om de ets ‘Stormwind aan de rand van het woud’ uit 1888. Woud en Ensor? Zelfs aan de kust waren er vorige eeuw bomen, was het landschap ruig. (Anderzijds: nu nog wordt in Oostende gesproken over ’t bosje, zijnde een park.) Ensor heeft zich verzet tegen de bijlen van de machthebbers die de oude huizen vernietigden, tegen hun schoppen die de duinen naar omlaag haalden. Een conservatieve reflex? Ja, maar toch vooral een behoud van ongebondenheid, vormloosheid, een verzet tegen het harnas. Ja, ook tegen een modernisme dat het individu verplettert, de eenvormigheid propageert, van de lege, ruige plekken zich afkeert. En dan begrijpt men de affiniteit die ter Balkt voor James Ensor wel moet hebben. In de eerste strofe spreekt Ter Balkt van wegen die ‘door velden meanderen’: het werkwoord duidt op een natuurlijke manier van zich bewegen, niet de rechtlijnigheid van het modernisme maar de weg die de natuur toont, met onverwachte wendingen en niet noodzakelijke omleidingen. Die wegen leiden naar ‘de beenderen oplossende zee’ (strofe 2) en ter Balkt zet tussen haakjes ‘maar aarde en zee zijn niet het einde’ waarmee hij anderen weerspreekt: om het misschien eigenaardig te zeggen: de natuur staat bij hem boven de wereld. Er is geen einde maar wel een eindeloos universum – waarvandaan de wind naar Oostende waait. De zoom is bij ter Balkt belangrijk: een rand die rafelig kan zijn, een marge, een twijfelen tussen iets en niets, een belofte en een begin. ‘De droevige bossen hadden mij lief / en speciaal hun woudzoom waarvandaan / de winden woeien naar Oostende, naar // de wegwijzer bij ’t sterke kompas, / oude wegen wijzend aan de zomen / van land en zee, electronenhoeders!’. (In de verzamelbundel ‘Hee hoor mij Ho simultaan op de brandtorens (2014) is de eerste, nog nooit eerder gepubliceerde bundel ‘Elektronen’ (1953-1954) opgenomen, zie daar het gedicht ‘Rudiment’: ‘Alle wegen zijn verdwenen.’ of ‘Black and white rag’: ‘vergeet alles / in het ritme / van de wind / in het oppermachtig ritme / van de wind’.)

De wind is belangrijk in het oeuvre van Ter Balkt omdat de mens er geen vat op heeft, de wind is niet te commanderen noch te temmen (helaas wel te commercialiseren). Wie de wind ondergaat, ervaart de natuurkracht en heeft geen tijd, noch kracht, noch zin om over het sublieme te mediteren. Dan bestaat er enkel nog wind. De wind voert de gedachten mee, de inspiratie die komt aangewaaid. (En Dirk van Bastelaere schreef in 2003 de dichtbundel ‘De wind uit het elders – in praise of Barnett Newman’.)

Manuel Kneepkens schreef het blasfemisch gedicht ’De intocht van Christus in Maastricht’ (http://www.decontrabas.com/de_contrabas/de-intocht-van-christus-in-maastricht-.html ). De titel verwijst uiteraard naar het werk van Ensor maar de dichter gaat van het afgebeelde weg en neemt eenzelfde tafereel als uitgangspunt om een ongetwijfeld kritische analyse te geven van wat in Maastricht politiek en sociaal gebeurd is maar deze lezer is daarvan onwetend en het interesseert hem ook niet – wetende welk commercieel nest Maastricht slechts is. Het gedicht verliest aan kracht omdat het te plaatselijk georiënteerd is – of omdat de dichter te veel bij het lokale gebleven is en geen elementen tot een ruimere betekenis in het gedicht heeft kunnen of willen steken. Kneepkens beschrijft hoe de wetgevers (?) bepaald hebben dat men Maastricht niet betreden mag op sandalen of in t-shirt of bermudabroek van het merk Zeemeermin – wat wel een persiflage zal zijn op het Nederlandse kwaliteitsmerk Zeeman. Jezus komt naar Maastricht en wordt uiteraard gearresteerd door Flikken – net zoals Gent kende ook Maastricht een Flikkendag. Er zit nogal wat in de Maastrichtse gevangenis, o.a. een ‘benige woudreus met het syndroom van down / van Palestijnse afkomst / Bar-Abbas… / Een struikrover, want … hij had een struik geroofd!’. Er is een ‘callgirl met syfillis’ die Jezus pijpt. Het gedicht eindigt met ‘De groeten aan James Ensor!”’ – een Hollandse joligheid die de Oostendse ernst ontbeert, is niet ernstig te nemen. Ensor is hier de misbruikte, die bovendien meer moed had (toch in zijn jonge jaren) dan wat de dichter hier schrijft. Wind, geen fatale inhoud.

Op 7 november 1917 schrijft Paul Van Ostaijen het gedicht ‘James Ensor’ dat in de bundel ‘het sienjaal’ (1918) zal opgenomen worden. De ondertitel van de bundel is ‘liederen van het werkelike leven’ – oh, heerlijke tijd toen men nog wist wat werkelijk en onwerkelijk was. Het gedicht begint als was het een gedicht van Emile Verhaeren: ‘Tentaculaire stad! Het overaardse. Geheim en wezen samen.’ Van Ostaijen doet hier het omgekeerde van Ensor. Niet de stad als een dreigend wezen is een ensoriaans thema (men moet een onderscheid maken tussen gebouwen en de stad – de gebouwen kunnen fantastische elementen bevatten, net zoals de meubels behekst kunnen zijn) en zeker is dat metafysisch, pseudo-intellectueel en existentieel gedoe van Van Ostaijen niet aan James Ensor besteed. De dichter beschrijft hier eerder een werk van George Grosz dan van Ensor – wiens wereldbeeld hoe dan ook kinderlijker is – net zoals Paul Van Ostaijen toch ook geen Gottfried Benn is. ‘Witte wegen naar het wijde wezen van het Zijn. / Godstad die ons leidt tot zonde en berouw.’ Dit zijn zware woorden die niet noodzakelijk enige inhoud bezitten. Ensor heeft het over de hoofdzonden gehad en toch is wat Van Ostaijen hier schrijft niet met het werk van Ensor te verbinden. De dichter spreekt van angst, een gevoel dat niet direct met Ensor te verbinden is – wel is er bij hem een baudelairiaanse verveling, een bij momenten flakkerende opstanding die toch ongericht en mateloos is. Niet zozeer angst of radeloosheid kennen de maskers maar eerder een kleinburgerlijke onbeholpenheid, een hulpeloosheid in het leven, een onbehouwen overeind staan. Van Ostaijen is op zoek naar een Messias, hij wil volgen (hij heeft gevolgd, leefde hij langer hij had zijn leider gevonden, zou gebleken zijn een windbuil te zijn). De laatste strofe van het gedicht: ‘Weten: stad in de ongrijpbare verte opgebouwd, / opdat wij al de wegen zouden kunnen gaan: u te vinden. / U te vinden! Maar dit: het wanhopig zoeken! / Ahasver te zijn! Nooit rustende geest. / Elke rustplaats is een leugen. / Zelfs over de baren gaat zoekend Kristus / en zijn handen vallen in de witte mist.’

Ensor daarentegen wilde dit niet: hij wist dat er geen Messias was – de Christusfiguur is bij hem een mens als een ander. Weliswaar identificeerde hij zich met Christus maar dan enkel als een achtervolgde door de massa. Van Ostaijen keert de ‘filosofie’ van Ensor dus om: waar de schilder de massa veroordeelde (en daarmee in de traditie van Montaigne stond), wil Van Ostaijen de massa mobiliseren. Hij is een gelovige, een volger. Niet een opstandeling (hoe burgerlijk ook) zoals James Ensor. Het vervolg kennen we.

Advertenties