enkele voetnoten bij de roman ‘een zachte vernieling’ van hugo claus (15)

door johan_velter

Het verhaal ‘In de rue Monsieur le Prince’ uit ‘De zwarte keizer’ kunnen we als een oerversie van ‘Een zachte vernieling’ beschouwen: eenzelfde tijdsbeeld, een vriendengroep, een niet aan te raken vrouw en een gevecht om een ander meisje, een hoofdfiguur die behept is met dezelfde psychologie als in de roman, een aantal gelijkaardige scènes, een meisje op blote voeten en … de maand mei: “’In welke maand zijn wij, Rudi?’ – ‘In mei. In mei leggen alle vogeltjes …’” (De zwarte keizer, 1962, p. 156). En even verder: “April is de wreedste maand. En mei dan?” (p. 158, de eerste zin is uiteraard een verwijzing naar T.S. Eliot). Er is misschien ook al een verwijzing naar ‘Odile’ van Raymond Queneau: “[Rudy] was vol aandacht, niets mocht hem ontsnappen, hij was een bleke, uitgemergelde Arabier die de reizigers in de woestijn beloert.” (p. 165)

Nadat Bernard André verweet niet te geloven, schrijft Claus: “Een woedende oude man doorkraste een filmaffiche van Tarzan met een schroevendraaier.” (p. 122), ongetwijfeld een verwijzing naar, ja naar wat? Een aanval op het immer potente, dappere macho-type? Dat zou wel eens kunnen van toepassing zijn.

André geeft Bernard de raad zich nooit te verzetten tegen de anderen – de oosterse lijdzaamheid: “Als je je verweert hebben ze een excuus, slaan je op de nieren. Of je krijgt een bezemsteel in de kont. Je nooit nooit verweren.” (p. 123) En direct daarna verschijnt de man die zich als Napoleon verkleedde, niet als de gezette keizer maar “als de graatmagere genieluitenant met steek en spannende witte broek en kaplaarzen. Zijn gezicht en zijn handen glansden als wit porselein. Hij vuurde doorlopend zijn troepen aan.” (p. 123). In het verhaal ‘In de rue Monsieur le Prince’ steekt de hoofdfiguur een biografie van maarschalk Ney in zijn binnenzak. Sommige historici houden hem verantwoordelijk voor Napoleons nederlaag bij Waterloo. Hugo Claus metamorfoseert feiten, kennis naar nieuwe gegevens die hij in zijn literaire werk gebruikt: maar hoe is de weg terug te reconstrueren? (Een anekdote over hem: Ney zegt tegen 1 van zijn generaals: ‘U bent bang, dit is een slagveld.’ De generaal antwoordt: ‘Als u zo bang was als ik, dan stond u hier niet meer.’)

Dan komt de fameuze passage tussen haakjes, van p. 126 tot p. 131. De eerdere keren waren de haakjes voorbehouden voor het commentaar van de oude André Maertens , een beoordeling van het gedrag, een spijtbetuiging, een vermaning. In deze passage gaat het verhaal gewoon verder – dit is echter schijn: er is wel degelijk commentaar van de oude André Maertens maar minder belerend, minder moreel: hier wordt de kern van de vernieling beschreven: hoe Bernard Waelhens bij de SS ging en verraden werd door Hoorne: het is dit laatste dat door Claus veroordeeld wordt, niet de dwaze daad van een jongen.

Er is Tom, een baardige fotograaf, we vermoeden Ed van der Elsken (die toen niet altijd een baard had),

een zachte vernieling_ed van der elsken_zelfportret met vrouw_1973

hij danst rond 2 Senegalezen die de aardappel willen importeren in Senegal, men hoort op de radio “These Foolish Things van Lester Young, een Oostenrijkse beeldhouwer riep dat de vipers zich moesten verenigen, […].” (p. 126). Vipers zijn marihuanarokers, wie is de beeldhouwer?

De eerste strofe van These Foolish Things luidt: ‘Oh! Will you never let me be? / Oh! Will you never set me free? / The ties that bound us / Are still around us / There’s no escape that I can see / And still those little things remain / That bring me happiness or pain’. Inderdaad toepasselijk.

Rob Lievens is niet een origineel schilder: zoals Picasso de Etrusken als inspiratiebron nam, neemt hij nu de Assyriërs – in werkelijkheid vond Corneille in Afrika zijn voedingsbodem – er is eenzelfde truc. Men wil origineel zijn, ongebonden en cultuurloos maar men zoekt zich een model.

André Maertens en Emile Prinsen gaan nachtenlang op de zwier, Maertens beslist om terug naar België te gaan (“voorgoed, getemd, geblust” (p. 129)), dan komt een type op de kamer van André (gelijkaardig in ‘Odile’ waar de politie de hoofdfiguur ondervraagt en in bescherming neemt – hij heeft adellijke beschermers, bij Claus is de adel de vervolger die het gerecht en het politioneel apparaat als zijn werktuig gebruikt) hem vertellen wat Bernard Sabine heeft aangedaan. Claus schrijft op zo’n moment een geniale zin: “Ik tikte tegen de wijzerplaat van mijn horloge. Maar het getik bleef duren, het waren mijn tanden die tegen elkaar tikten.” (p. 130).

Maertens vraagt hoe Bernard Sabine aangerand heeft: “Met een brok graniet?” – zo heeft Hans Andreus het in ‘Denise’ beschreven. De ondervrager antwoordt Maertens echter “Met zijn vuisten.” (p. 130). Maertens: “Hoorne! Hoorne is de ware schuldige’, riep ik, maar hij hoorde mij niet.’ (p. 131). De beschuldiging is geluidloos geworden. Hoorne is de aanstichter van het trauma van Waelhens die daardoor Sabine heeft aangevallen die daardoor André Maertens buitengesloten heeft (hij die al buitengesloten wilde zijn). De uitkomst van al deze histories is het niets.

Claus zette deze scènes tussen haakjes alsof hij het einde niet rechtstreeks wil herbeleven, alsof hij de pijn niet opnieuw wil beleven: hij beschrijft vanuit de toekomst.

De coda.

André Maertens heeft dan toch samen met Rogiers een tentoonstelling over Bernard Waelhens samengesteld, gisteren was de vernissage. Hoorne is er gelukkig niet, Emile Prinsen wel, Harry van Diest overtreft zichzelf in gewichtigdoenerij. Met Emile spreekt André over Bernard, zijn proces, ze gaan op stap. In het café, Emile: “’Messieurs, je bois à cette planète cocasse et superbe.’” (p. 133), een verwijzing naar de Lautréamont, de vader van de surrealisten, ‘Les chants de Maldoror’, Chant VI : ‘Planète cocasse, mais superbe.’ Het is geen heils- ,maar een begrafenisdronk. Toch schrijft de Lautréamont een passage die op Claus zelf van toepassing is – het is ondenkbaar te veronderstellen dat hij zo maar iets vermeldt. Ik citeer de Nederlandse vertaling van C.N. Lijsen, de 2de, herziene druk, Athenaeum – Polak & van Gennep, 1970): “Een malle, maar prachtige planeet. Terwijl ik mij een stijl eigen maak, die sommigen kinderlijk zullen vinden (terwijl hij toch zo diepzinnig is), zal ik die gebruiken voor het vertolken van gedachten, die, helaas, misschien niet groots zullen lijken! […] Maar weet wel dat poëzie overal is waar niet het dom spottend lachje van de mens met zijn eendegezicht is.” (p. 194).

In het café laat Emile de jukebox de hele tijd een plaat van Tammy Wynette spelen. Zou dit ‘Stand by Your Man’ kunnen zijn?

André bekent hoe zijn leven “een mislukte fotokopie geworden was van wat ik had gedroomd, nee, wat ik niet eens had gedroomd. […] Ik heb aan alles, van ver, en doodsbang geroken. Alleen prut onthouden, opgestapeld. Ik ben ondertussen, in Parijs al, iets vergeten, verloren dat de plaats had moeten innemen van wat ik geworden ben. Futiliteiten, mijn baan, mijn laksheid, mijn leugens hebben mij met babyvingers ongemerkt in de vernieling gedrongen en het ergste is dat het mij niet kan schelen. Geef mij een gin-tonic en ik kwek je over wat je maar wilt, Cimarosa, […].’” (p. 134).

De babyvingers vervangen hier het bijvoeglijk naamwoord ‘zachte’. Cimarosa is al eerder gepasseerd. Verwijt André zichzelf dat hij niet ‘authentiek’ was, dat hij zichzelf verraden heeft? Claus heeft een vernieling van een mens beschreven, een teleurgang. Het zich niet volledig geven. In het verhaal ‘In de rue Monsieur le Prince’ klinkt het zo: “Ik ben er niet, zei ik tegen de ruit die bedoomde” (p. 161).

Maar dat is nog niet alles. Dit is het scharnierpunt, wat daarna komt kan hem wel schelen.

Dan vertelt Emile dat hij Sabine gezien heeft, met haar man en oudste zoon die Andres heet en begin dertig is en pikkeltjes in zijn gezicht heeft, zoals Bernard die had. De jonge man is een zoon van Bernard maar hij heeft de naam van André gekregen. In hem is de vereniging tot stand gekomen: Sabine, Bernard en André. De laatste woorden van de roman zijn voor Sabine en André: “‘Raar ventje.’ ‘Jij bent mijn eten en drinken.’” (p. 135). Vreemdheid en toch osmose. De onmogelijkheid verwezenlijkt – maar niet zoals het moest zijn.

een zachte vernieling_hugo claus in parijs

Advertenties