enkele voetnoten bij de roman ‘een zachte vernieling’ van hugo claus (9)

door johan_velter

Je hoeft niet te staren naar de sterrenhemel om je klein te voelen, je kunt ook een roman van Hugo Claus lezen.

André Maertens vertelt Sabine een verhaaltje bij het slapengaan, een lemma uit ‘De wonderen van de wereld’. ‘Hij is niet zoals de orca, het enige dier samen met André Maertens, dat geen vrees kent.’ ‘De romans, IV, p. 49). De naam André betekent weliswaar de dappere, maar zo dapper (tegenover Sabine) is Maertens ook weer niet. De roman werkt met het beeld dat iemand van zichzelf opbouwt, hoe zijn zelfbeeld geconstrueerd wordt door zichzelf én de anderen en hoe dit alles tegen elkaar op botst en weerkaatst wordt. (Enkele bladzijden verder gaat het over de neushoorn, weer haalt Maertens zijn kennis uit ‘De wonderen van de wereld’. Het zou een studie op zichzelf kunnen zijn: Claus en de beesten.)

Kan de roman ‘Een zachte vernieling’ gelezen worden als een exploratie van het ik, het nagaan waar en hoe het rottingsproces begonnen is, dan gaat het ook om mede- en tegenstanders: “ ‘Tevreden, André?’ gromt Sabine. De eerste keer dat zij mijn naam zegt. ‘Nogal’, zeg ik. De kamer baadt in een witte mist, deint, zet uit en krimpt. Wij zitten in een gonzende, golvende kist, ik en deze twee nabije, rare verwanten.’ (p. 54): Sabine, Nonni (een duister figuur, opgescharreld door Sabine (of omgekeerd), travestiet), André. Nog niet Bernard.

In Parijs speelt Maertens ‘de cowboy’. Bijvoorbeeld: “ ‘Ben jij de huiseigenaar hier?’, vraag ik als een cowboy.” (p. 59). Het verlangen anders te zijn (en te behoren tot een groep): er staat als een cowboy, d.w.z. dat er gespeeld wordt, gedaan alsof. Verder in het verhaal zal Claus dit nog verschillende malen herhalen.

Over Bernard: hij plukt aan zijn gitaar en zingt “over een ‘prisonnier de Nantes’” (p. 61). Slechte kwaliteit. Bedoelt Claus het lied ‘Dans les prisons de Nantes’? Dan is deze verwijzing een aankondiging van wat komen gaat (onthuld zal worden).

De ronde haakjes bij Claus: zie p. 61-62, nog straffer: p. 126-131.

Over Hoorne, dit is Lucebert: hoe hij zijn poëzie opbouwde met citaten uit tientallen boeken (‘ook in talen die hij niet kon lezen, volgens een aleatoir proces dat hij overgenomen had van Mallarmé, zei hij.’” (p. 61). Maertens zoekt aleatoir en Mallarmé op: het wisselvallige en het absolute zijn een andere kant dan die van Maertens/Claus.

Nikki, met de uitbundige borsten: misschien is ‘een zachte vernieling’ ook dat Maertens bij haar blijft, een gemakkelijk meisje, doet alsof, maar tot het moeilijke (Sabine veroveren en onderwerpen) niet geraakt. Het belang van Nikki voor dit verhaal mag niet onderschat worden: weer is er een abortus en een sterven – daardoor. Toen nog. In de voorlaatste alinea schrijft Claus/Maertens: “Ik denk aan Nikki, hoe de lucht in haar drong, ik weet niet hoe het gebeurd is maar ik hoor een licht plofje, gesis, als een bierfles die ontkurkt wordt. En hoe zij doodbloedde in haar dorp in de Kempen. Alle waakhonden in de omtrek blaften.’ (p. 135): het verhaal gaat dan niet zozeer over Sabine maar wel over Nikki én het verraad van Maertens. Aan zichzelf, aan haar. (Is Nikki gemodelleerd naar Lucia Campert waarover Sanne Sannes een film gedraaid heeft: “Zij verdiende geld door bemiddelde heren te slaan met kunstig gevlochten zweepjes.” (p. 62)?) (Staat Nikki voor Josepha Mendels, een tijdje de vriendin van Vinkenoog geweest?)

P. 63: Bernard: “Mi trovai per una selva ascura” (p. 63), een verwijzing naar Dante, de eerste Canto (maar wat ‘ritrovai’ zou moeten zijn): “Dat ik mij in een donker woud bevond.” In ‘Het graf van Pernath dichtte Hugo Claus over het licht van Hans Andreus dat hij tegenover het duister van Hugues Pernath plaatste: “Klerken zullen het einde van je consulaat vergelijken met de dood van een andere dichter. Je hield niet van hem. Het licht van ANDREUS was je te licht, en hij was geloviger dan zijn wanhoop en hij werd dronken van een half glaasje Johnnie Walker. Maandenlang heeft ANDREUS zichzelf opgebaard In de kamer, zijn lichte kamer. Toen zei hij tot zijn vrouw. ‘Ga slapen. Ik moet dit alleen doen.’ En stierf die nacht met zijn handen dicht.”

In het atelier van Rob Lievens/Corneille tekent Maertens het portret van zijn moeder. Rob Lievens zegt (en we moeten dit als smalend, verwonderd, onbegrijpend lezen): “Naturalistisch, hè?”. “Ik wrijf het gezicht van mijn moeder weg met mijn mouw en vervang het door een onronde blaas met twee kobaltblauwe vlekken als ogen, een ASUR-monster, […]” (p. 64). Hier vernietigt Maertens de betekenis en vervangt hij het door een modieus beeld, het nietszeggende. Het oeuvre van Claus heeft betekenis.

Dit is een scène die jaren eerder (maar anders) in ‘De hondsdagen’ werd beschreven: Tsjecho tekent realistisch maar verbergt de tekening – uit schaamte.

De parodie op het kunstgezwets: “Hij houdt een betoog over de dierlijke ruimte, de schreeuw van het licht, de verbeelding die elk formalisme doorbreekt, en hoe de architectuur van de ruimte toch symbolisch moet zijn.” (p. 64). Dit is wat Rob Lievens zegt over het werk van André Maertens nadat hij in 1 beweging een realistisch portret in een ASUR-cliché veranderd heeft – dit is wat Claus zegt: zo gemakkelijk gaat het. André Verdet in een interview met Karel Appel (1974): «Dans ton espace pictural rentre tout un nombreux bestiaire. » (p. 19). Dezelfde : « Un voyage dans l’espace du tableau. » (p. 22) en Appel : « Car Rembrandt, lui, avait découvert l’homme avec son nouvel espace dans la lumière ! » (p. 23)(Propos en liberté 1974-1984, Karel Appel, André Verdet, Frédéric de Towarnicki, Galilée, 1985). Of nogmaals Appel : ‘Drie jaar lang ben ik met de ruimte bezig geweest, beschrijft Appel zijn strijd met de leegte : ‘een nu onaffe ruimte, af of niet.’ (Appel’s oogappels + Het verhaal van Karel Appel, Simon Vinkenoog, Bruna, 1963, p. 158). In de roman, p. 81, Buyl: “Ik begin de ruimte te ontdekken. L’espace.” (Dit is ook de naam geweest van een naoorlogs tijdschrift waarin o.a. Paul Eluard schreef.)

Advertisements