een verlangen naar diderot (4)

door johan_velter

In ‘Tranen om het alledaagse: Diderot en het verlangen naar natuurlijkheid in het Brusselse theaterleven in de achttiende eeuw’ tracht Bram Van Oostveldt (Verloren, 2013) origineel te zijn. Er zijn 3 delen in zijn boek en elk deel wordt voorafgegaan door een afbeelding van een schilderij en hetzelfde deel wordt met hetzelfde schilderij afgesloten. De stelling wordt daarmee bewezen dat de 18de eeuw een theatrale eeuw was – ook al leefde Shakespeare in de 16de eeuw. Maar helaas bevestigen de schilderijen niet wat Diderot beoogde, wel worden de beelden in een kader geplaatst dat de auteur uit de 21ste eeuw welgevallig is. Dit kan ook nog geïllustreerd worden met de verkeerde, oppervlakkige zienswijze van de auteur op het werk van Goya. ‘Het mag dan ook geen toeval heten dat op het breukvlak van Verlichting en Romantiek, en nog lang erna [sic], de schaduw de plek bij uitstek wordt waarin de triomfen van de Rede [sic] worden geproblematiseerd. Bij Goya is de schaduw de locus waarin de droom van de Rede (astra) haar monsters (monstra) openbaart en ons als dusdanig [sic] het negentiende-eeuwse dialectische programma ontvouwt waarin de apollinische onthechting steevast wordt gedestabiliseerd door duistere dionysische verlangens.’ (p. 230). Wat Van Oostveldt over Goya zegt, is het omgekeerde van wat Goya schilderde, een zoveelste rechtse poging om de Verlichting als een obscurantistische beweging voor te stellen en een hedendaagse manier om aan anti-wetenschap en anti-kennis te doen.

Wat is het theoretisch kader van Van Oostveldt? Is dit Foucault (p. 116-117, de pagina’s zijn illustratief, niet exhaustief)? De psycho-analyse (p. 123-124)? Habermas (p. 111)? De erotische verbeelding (p. 125)? De sociologie van Elias (p. 131)? Of die van Richard Sennett (p. 131)? Frank Ankersmit (p. 136)? Wat is de waarde van de psycho-analyse als wetenschappelijke methode? Toch nihil, dit zou toch ook al in Gent moeten doorgedrongen zijn? En dan nog, de psycho-analyse als interpretatieve theorie van de 18de eeuw? Wat een onzin.

Nu en dan komt Bram Van Oostveldt tussen met evaluerende uitspraken. ‘Dit ideaalbeeld van het huiselijke geluk kent dus absoluut [sic] geen beweging, maar is één en al verstikkende rust.’ (p. 127) [cursivering j.v.]. De volgende zin ontkent echter wat Van Oostveldt meende te moeten beweren: ‘Ook Robert Mauzi ziet in de eloges op het huiselijke geluk niet het totale geluk, maar veeleer een thema van één van de bestanddelen van het geluk, nl. de rust.’ (p. 125-126). Waar Van Oostveldt een kitscherig drama maakt, analyseert Mauzi een begrip. Ziehier het verschil tussen cultuur en ja wat, overspannen geroep?

De bewijskracht van Van Oostveldt is miniem en krachteloos. Een voorbeeld: ‘Ook voor het onschuldige publiek is deze wijze van acteren gevaarlijk. Door de illusie van werkelijkheid kan het in opperste verwarring raken. Hoe reëel deze angst voor zelfverlies en beperkt werkelijkheidsbesef is, blijkt uit de volgende anekdote.’ (p. 136). Om dit ‘bewijs’ te ontkrachten hoeft men slechts 1 tegenvoorbeeld te geven.

Van Oostveldt denkt met zijn boek aangetoond te hebben dat ‘de diepste [sic]  betekenis van het verlangen naar natuurlijkheid […] een cruciale factor is in de constructie van de burgerlijke cultuur.’ (p. 229) maar hij is daarin niet geslaagd omdat hij een al te metafysisch (pseudo-diepzinnig) kader heeft willen ontwerpen waar de begrippen natuurlijkheid en werkelijkheid niet vanuit de 18de eeuw begrepen worden maar vanuit achterafconstructies. Van Oostveldt ‘leest’ schilderijen op een realistische wijze, terwijl die metaforisch begrepen moeten worden. Jazeker, Chardin schildert herkenbare taferelen maar hij schildert méér dan wat de oppervlakkige kijker slechts wil zien. Zo meent Van Oostveldt dat de burgerlijke cultuur zichzelf toont in haar artefacten om zich ‘te verbergen als een culturele en historisch geladen constructie.’ (p. 229). Maar de burgerlijke cultuur toont niet alleen wat is, maar ook wat zou moeten zijn én wat als een verloren paradijs kan gelden. Ondanks zijn metafysica is er dus veel meer aan de hand dan wat Van Oostveldt beweert.

De Verlichting als macht en dominantie zien, is slechts gebaseerd op het niet-wetenschappelijke werk van Michel Foucault en daarom niet erg interessant.

Er is in dit boek ook nog een bij-conclusie die, net zoals Frank Ankersmit, uit de hemel gevallen komt. Plots (maar natuurlijk ook wel omdat Barthes ‘La chambre claire’ geschreven heeft) begint de auteur over de fotografie als de verwezenlijking van het verlangen naar natuurlijkheid. Zo schrijft hij ‘Het lijkt [sic] er dan ook op dat in het schilderij […]’ de tekenkunst door de fotografie afgelost kan worden – hoe dit mogelijk is, is een metafysische kronkel. Maar met deze uitspraken/conclusie gaat de auteur zijn onderwerp voorbij: net alsof de 18de eeuw iets met fotografie te maken heeft of dat een techniek een verlangen kan voleindigen. Om in dezelfde metafysische traditie te blijven, verkondigt Van Oostveldt ook nog een teleologische visie op de geschiedenis (deze teleologie was ook hierboven al te lezen in de passage over Goya): ‘Dat in haar gedreven zoektocht om de werkelijkheid als een bewijs te kunnen inzetten de burgerlijke cultuur, ook de fotografie uitvindt, hoeft dan ook niet te verwonderen.’ (p. 232). Ja, zo kan men ook zeggen dat het werk van Petrus Christus in de fotografie van Terry Richardson zijn voleinding gevonden heeft. (Maar wat heeft fotografie met natuurlijkheid of werkelijkheidsafbeelding te maken? Net alsof een foto  geen illusoire afbeelding zou zijn.)

Bovendien – ach, welnee, het is al erg genoeg.

Advertenties