een verlangen naar diderot (2)

door johan_velter

In deel 2 van zijn ‘Exploraties: cultuurfilosofie & esthetica’, ‘De macht van representatie’ (1996), nam F.R. Ankersmit een ‘essay’ over Rousseau en Diderot op, ‘Pygmalion: Rousseau en Diderot over toneel en representatie’. Ankersmit is geen historicus, hij werkt op een omgekeerde manier. Hij wil iets zeggen over zijn huidige tijd en gebruikt daarvoor het verleden, dat dus in dienst staat van zijn a-priori-opvattingen. Hij doet hetzelfde als Foucault: er is een idee (die zelfs niet de status van een hypothese heeft maar alvast een vaststaande vaststelling is) en die wordt geïllustreerd met het verleden. Het verleden wordt in een kader geplaatst – maar dat wil nog niet zeggen dat we iets over het verleden vernemen, of dat wat over het heden gezegd wordt, correct is.

Het werk van Ankersmit tracht het postmoderne te verklaren. Zo zegt hij bijvoorbeeld dat in het postmoderne er een verplaatsing van het centrum naar de periferie is, wat uiteraard te betwijfelen is. ‘Het centrum’ is van betekenis veranderd, maar is daarom niet naar de rand getrokken. Integendeel, het lijkt wel alsof er alleen nog maar centrum is en dat de periferie geen reden van bestaan meer heeft.

De idee ‘representatie’ van Ankersmit is een afgeleide van het spektakelbegrip van Guy Debord. In een historische tekst zijn er volgens Ankersmit twee lagen: die van de concrete feiten (hier kan het begrip waarheid een rol spelen) en die van het verhaal, de metafoor die van uitspraken en gebeurtenissen een ‘verhaal’ maken – hoed u voor hen die het begrip ‘verhaal’ gebruiken, toentertijd een al te modieuze val. Door deze stelling wordt de historicus een interpreet, een ideoloog, een metafysische ziener. Ankersmit zegt dus dat de geschiedenis een subjectief verhaal is – de gemakzucht van de naoorlogse generatie. In zijn boek ‘De navel van de geschiedenis. Over interpretatie, representatie en historische realiteit’ (Groningen: Historische Uitgeverij Groningen, 1990) schrijft hij: ‘De eventuele kritiek dat er in deze bundel met slechte argumenten onjuiste en onredelijke standpunten verdedigd worden, zal mij dan ook niet raken.’

In het artikel over Rousseau/Diderot ontmoeten we dus niet de historische figuren maar constructies. Ankersmit spreekt in dit artikel over ‘Blade runner’ en vergelijkt de robots met toneelspelers – doch dit is een denkfout (de valstrik van de oppervlakkige gelijkenis): een replicant is geen toneelspeler, net zoals men van een vliegtuig niet het karakter van een individuele vogel kan afleiden.

Voor dit opstel leunt Ankersmit voor een deel op het werk van Richard Sennett (en Bram Van Oostveldt zal hem dat nadoen) maar onduidelijk is hoe dit in zijn eigen werk kan ingepast worden. De achttiende eeuw is volgens hem de eeuw van het toneelspel en hij ziet Venetië als een voorbeeld. Het is echter zeer de vraag of dit zo is. Het maatschappelijk-sociaal spel ziet hij weerspiegeld in de Venetiaanse schilderijen – net alsof die geen constructie zouden zijn. Enerzijds ontzegt Ankersmit elke waarheid aan een historisch document maar anderzijds neemt hij sommige artefacten wel als getrouwe afbeeldingen van de werkelijkheid aan. Het is onduidelijk hoe en op welke gronden hij een status aan historische feiten toekent.

Ankersmit schrijft over Diderots ‘Paradoxe sur le comédien’: ‘[…] zijn opvattingen zijn niet een aanval op, maar juist een codificatie van de sympathie en het respect van de achttiende-eeuwer voor het toneel.’ Wat onjuist is. Diderot stelt twee speelwijzen tegenover elkaar: de toneelspeler die zich inleeft en niet ‘de moordenaar speelt maar die ís’ en daartegenover de toneelspeler die zich niet verliest maar zich bewust is van de artistieke praktijk, weet welke trucs hij moet toepassen en tijdens zijn spel zichzelf is – Diderot geeft de voorkeur aan de tweede speler. Maar Diderot, i.t.t. Ankersmit en c.s., speelt hier geen ideologisch spel maar beschrijft twee wijzen van toneelspelen die in zijn tijd gangbaar waren, hij noemt dus ook namen. Het opstel van Diderot is in feite geen ander werk dan wat hij in de Encyclopédie gedaan heeft: een beschrijving van wat is, een aanbeveling van wat zou moeten zijn. De toneelspeler is, net zoals de vioolbouwer, een ambachtsman. Diderot gaat na wat het meest effectieve is om de toeschouwer te overtuigen.

Het essay van Diderot moet dus niet zozeer in het teken van natuurlijk-onnatuurlijk geplaatst worden want het begrip natuurlijk is voor Diderot (voor de 18de eeuw) anders dan voor ons. De hele discussie die opgezet wordt, is dus een onjuiste.

Is het theaterspel van  Jan Decorte natuurlijk of onnatuurlijk? Spelen hij en zijn kompanen zoals toneelspelers, of zoals toneelspelers die geen toneelspeler willen zijn of spelen ze zoals de conciërge van het appartementsgebouw door zijn gebouw dwaalt? Spelen ze als intellectuelen of als ‘idioten’? Het begrip natuur dat ten grondslag ligt aan de problematiek die Bram Van Oostveldt poogt te omschrijven is een problematische omdat het contextueel is: wat wij als onnatuurlijk (artificieel, maniëristisch) beschouwen, zou door de 18de eeuw wel eens als zeer natuurlijk gezien kunnen worden. Want voor Diderot staan natuur en rede op eenzelfde niveau.

Advertenties