een verlangen naar diderot (1)

door johan_velter

Bij uitgeverij Verloren verscheen van Bram Van Oostveldt ‘Tranen om het alledaagse: Diderot en het verlangen naar natuurlijkheid in het Brusselse theaterleven in de achttiende eeuw’ (2013), zijn proefschrift uit 2005, verdedigd aan de Universiteit Gent. In zijn boek verwijst Van Oostveldt naar het werk van Frank Ankersmit die ooit een eredoctoraat van deze universiteit kreeg. In de literaire afdeling van deze universiteit, die meer en meer een ideologisch bolwerk en minder en minder een wetenschappelijke instelling is, is het woordpaar ‘feit en fictie’ een heilig koppel. Uiteraard wordt het werk van Jürgen Pieters dus in de bibliografie opgenomen. En toch, toch. Slechts op het einde van het boek van Van Oostveldt komt Ankersmit als een deus ex machina aan bod. Het is precies alsof hij zich herinnert – net zoals de Russische en Oosteuropese onderzoekers in elke tekst een loftuiting op het zegevierend historisch materialisme opnamen – dat hij zich moet conformeren aan de universitaire discipline – weg zijn de tijden dat men een persoonlijkheid moest zijn om te doctoreren – en daarom nog gauw wat ‘feit en fictie’ binnensmokkelt, ‘macht en representatie’ laat vallen en dan gerust mag ademhalen.

Van Oostveldt situeert zijn doctoraat in de traditie van Foucault, meer specifiek in diens ‘archeologische methode’ (p. 12), waarvan we echter weten dat dit geen wetenschappelijke methode gebleken is maar een ideologische. Van Oostveldt: ‘De archeologische methode van Foucault is van groot belang geweest voor de postpositivistische theaterhistoriografische wende uit de tachtiger en negentiger jaren.’

Van Oostveldt doet nu o.a. onderzoek aan de universiteit Leiden bij zijn echtgenoot Stijn Bussels
(http://www.hum.leiden.edu/lucas/elevatedminds/researchers/bram-van-oostveldt.html#proefschrift ). Hij zegt daar zelf over: “Als postdoc  verricht ik onderzoek naar de invloed van het sublieme en aanverwante begrippen op theater en spektakel in het Frankrijk van Lodewijk XIV. Hierbij richt ik mij niet zozeer op de drama-literaire kwaliteiten van de theatertekst als wel op de visuele en auditieve aspecten van de opvoering: hoe die gevoelens van angst, verwondering en overweldiging kunnen oproepen en hoe deze ook worden ingezet in de cultuurpolitiek van een absoluut vorst als Lodewijk XIV.” Het onderzoek naar het sublieme is een uiting van een metafysisch denken en heeft heel wat raakpunten met de zoektocht naar het verdwenen luik ‘De rechtvaardige rechters’.

Van Oostveldt tracht in zijn doctoraat/ dit boek een onderzoek te verrichten naar een theaterrecensie van de opvoering van ‘Le père de famille’ van Diderot. Het stuk had in Paris niet zo veel succes, in Brussel echter wel. Er verscheen een bespreking van dit werk in ‘Annonces et avis divers des Pays-Bas’. Het merkwaardige is dat de recensie over enkele weken gespreid kon worden (1 september 1761 tot 2 oktober 1761) en dat uit deze tekst blijkt dat de auteur heel goed op de hoogte was van de filosofische discussies in Paris en in het bijzonder van het denken van Denis Diderot. De auteur van deze tekst is echter anoniem gebleven maar men vermoedt dat de auteur Diderot zelf zou kunnen zijn. Maar hoe is zijn tekst dan in Brussel terechtgekomen? En waarom zou Diderot dit gedaan hebben?

Van een wetenschappelijk werk zou men mogen verwachten dat het auteurschap opgehelderd zou worden, of toch minstens dat er een verslag van de mogelijkheden gegeven zou worden. Een evident wetenschappelijke methode in deze is een stijlonderzoek. Maar helaas is de tekst uit de ‘Annonces et avis divers des Pays-Bas’, toch een sleutelgegeven, niet in het boek opgenomen, wat onbegrijpelijk is. Het auteurschap wordt in dit doctoraat niet geproblematiseerd.

Laten we veronderstellen dat de tekst toch door Diderot geschreven is (zou kunnen zijn), dan is de conclusie van Bram van Oostveldt (in zijn eigen woorden): ‘Wat hierbij vooral opviel,  is hoe verbazend snel dit Brusselse intellectuele en artistieke klimaat de discussies uit Parijs over het burgerlijk drama en over een bijbehorende, meer sentimentele en op natuurlijkheid gerichte acteerstijl oppikte en die ook met veel succes realiseerde in het Brusselse theaterleven.’ een onjuiste. Zelfs als de tekst niet door Diderot zelf geschreven is, dan nog is het auteurschap van belang omdat de auteur in de kringen van Diderot vertoefd moet hebben. En dan is het niet zozeer de afstand Brussel-Paris die belang heeft maar wel kringen die elkaar steunen en ruimte geven. En dan zou misschien wel kunnen blijken dat via Brussel Paris bestookt werd.

Advertenties