het pathetische

door johan_velter

Grote paniek in het dorpje Antwerpen. Popol had vernomen dat Pablo Picasso Ingres achterna gelopen was en dat hij daarmee de kubistische periode onsuccesvol afgesloten had. We zijn 1920 en Paul Van Ostaijen schrijft een essay ‘Wat is er met Picasso’. Veel.

Het essay is belangwekkend omdat Van Ostaijen via (of op de rug van) Picasso een eigen poëtica schrijft, bijna 100 jaar later zien we zijn mislukking: de kunst bestaat nog steeds bij de gratie van het levende individu. Het is de middelmatigheid die zich achter de dood verbergt.

Het essay, en zo kennen we Paul Van Ostaijen, kent veel herhalingen (binnen het essay zelf maar ook van andere teksten), bevat de gebruikelijke sneren naar anderen en is weinig kritisch voor zichzelf. Hij begint dus met een sneer te verkopen aan de kunstcritici die het kubisme niet begrepen hebben en nu dus blij zijn dat Picasso weer herkenbare dingen tekent en ‘De kunstkritiek kan weer over boompjes schrijven.’ Wat Van Ostaijen nog niet weet, is dat wij over de toenmalige kunstkritiek kunnen schrijven dat ze Picasso niet begreep en angstvallig en bekrompen vasthield aan het kubistisch credo, aan het verleden. Meer zelfs, dat men de navolgers als scheppers zag.

Van Ostaijen wil het kubisme redden. Voor hem is de grootste kunst de onthumanisering, de ontindividualisering. Het ideaal is voor hem behangpapier. Hij neemt gas terug door te zeggen dat dit nooit kan, maar dat het een streven moet zijn. Het hoogste streven (hoe hij het hoogste tegenover het minder hoge kan afzetten, is een raadsel) brengt de beste kunst voort. De kubistische werken van Braque en Picasso waren (zijn) zogezegd niet van elkaar te onderscheiden en daarom grote kunst. Maar omdat PVO over het onbereikbare spreekt, is hij een platonist, een metafysicus. De kunst ontstijgt het individu en hangt daar ergens in de hoek van de kamer als een vormloos ding.

Paul Van Ostaijen betoogt dat de kwestie-Picasso een louter individuele is, Picasso is te veel mens en te weinig ‘architektoniese aangelegenheid’. PVO verklaart wel niet hoe het kubisme dan mogelijk was. Had Picasso zijn ik die jaren in de kleerkast gehangen? Picasso liet zich te veel leiden door ‘smaak’  en ‘subjektivisme’ en voor PVO was dit een ‘Symptoom van overbeschaving.’ Dit is het aloude verwijt tegen de Joden: de conservatieven, de katholieken en de nazi’s verweten de Joden hun overbeschaving, zij stelden daar ‘het gezonde’ tegenover. De retoriek van PVO is een gevaarlijke.

Van Ostaijen heeft te weinig inzicht in het kubisme. Hij vermeldt Gleizes en Metzinger als de grote kubisten, de grote theoretici. Wij weten dat dit slechts navolgers waren, schilders die de vormelijke kenmerken overnamen maar niet het begrip en het inzicht van het kubisme hadden. ‘Wat Gleizes deed, kon Picasso, individueel, niet.’ Daarmee volgde PVO inderdaad ook de burgerlijke kritiek. Op zeker moment werd Picasso als een navolger, als een gewoon element van de kubistische school gezien. Men zag niet wat de verworvenheden van Picasso (en Braque) waren – ook omdat Picasso nooit aan salons deelnam en omdat hij nauwelijks individuele exposities had. Wie het kubisme wilde zien evolueren moest het werk in galeries opvragen of geïntroduceerd zijn bij de grote kunstkopers.

PVO moet Picasso afbreken om zijn eigen theorie in stand te kunnen houden en dus schrijft hij dat Picasso ‘spijts zijn kubiseren’ altijd een impressionist gebleven is; hij gaat zelfs verder op een hemzelf contradictorische wijze door te psychologiseren: ‘Hij construeerde uit zelfsatisfactie. En dit verraadt een in de grond [sic] impressionistiese opvatting van kunstenaar en kunstwerk. Als psychiese verschijning voortzetting van het impressionisme.’ De ‘redenering’ van Van Ostaijen wordt bemoeilijkt doordat hij het werk van Georges Braque niet in rekening bracht. Als het werk van Picasso en Braque onderling vergelijkbaar was, als Picasso het kubisme verlaat omwille van zijn ‘smaak’ – die er altijd al geweest was, hoe kan het werk van Braque dan retrospectief gewaardeerd worden?

Met lede ogen ziet PVO hoe het kubisme verwatert, aangevallen wordt. En ook hiervoor geeft hij een psychologische drogreden op: ‘Men wil enkel bewijzen dat het kubisme voorbij is, om weer te beginnen aan het eeuwenoud gezwets met koeien en kalveren.’

Advertenties