passage, jaargang 1, nummer 1

door johan_velter

De ondertitel luidt: ‘tijdschrift voor Europese literatuur & cultuur’, wat veelbelovend had kunnen zijn, had er bijvoorbeeld ‘wereldliteratuur en -cultuur’ gestaan, waren de auteurs een keur van internationale deskundigen, ware de redactie samengesteld uit ook buitenlandse, niet-Nederlandstalige leden en hadden de artikelen in dit eerste nummer niet een zeer hoog déjà vu-gehalte. Ook de schrijvers zijn niet nieuw: Manu Van der Aa, Luc Devoldere, Willem G. Westeijn (?), Marco Daane, Jeroen Vermeulen, Eric Min, Carl De Strycker, Stefan Van den Bossche (de zogenaamde redactie schrijft de namen op Nederlandse wijze, zogenaamd want wie ‘Celan’ spelt als ‘Cel- an’ is wel degelijk zogenaamd – en zoals mijn oude, moeë collega bemerkte: het portret van Leo Tolstoj hoort niet thuis in een artikel waarin hij niet optreedt).

Ook de onderwerpen zijn niet nieuw of revelerend. Voor de zoveelste maal lezen we over de drankzucht van Joseph Roth, de Passage Saint-Hubert in Brussel wordt verheerlijkt. Eric Min schrijft over Geert Van Bruaene (‘Vierentwintig uur vrijheid per dag’ – wat om juist te zijn 25 uur had moeten zijn) maar doet dit niet op basis van nieuw onderzoek. Hij steunt zich louter op bestaande geschreven bronnen – al dan niet met de gebruikelijke fouten en mythen – en herhaalt dus enkel wat anderen voor hem gezegd hebben. Wel doet hij dit op een eigen manier: hij gebruikt literaire middelen maar die gaan dan met de inhoud op de loop (wie niet origineel is, dient de taal op te smukken: leugencaramel). Zo begint hij zijn artikel met een niet ter zake doende anekdote over Aragon – maar is wel nodig om een Europese ‘touch’ aan het artikel te geven. De ‘invoelende’ stijl leidt tot kitsch: ‘Twijfelend licht parelt in de glazen.’ En deze pseudo-stijl leidt natuurlijk ook tot tegenstellingen (er is inderdaad geen redactie gebeurd). Op p. 73: ‘Dat is Het Goudblommeke in papier [het beroemdste café van Van Bruaene]: een oord van woorden, een curiositeitenkabinet voor de geest.’ Op p. 79 wordt over Van Bruaene gezegd: ‘Aan het woord zelf heeft hij geen boodschap.’ Het is hier al eerder gezegd: niet de zoveelste biografische schets is nodig, wel een boekuitgave met het volledige oeuvre van Van Bruaene hebben we nodig.

In het verwarde en nietszeggende voorwoord van Stefan Van den Bossche ‘Namens de redactie’ staat dat men met themanummers zal werken. Dit nummer was het zoiets als ‘ontmoeting’, ja waarom niet. En onmiddellijk komt er al een barst in dit opzet. Carl De Strycker schrijft over de poëzie van Celan (in het gedicht komt een ontmoeting tot stand) en niet over een fysieke plaats.

passage, jaargang 1 nummer 1

Stefan Van den Bossche schrijft over het Zuid-Franse Cabris: een opsomming van wie gepasseerd is. Maar wat heeft een lezer aan een rist namen? Is de ‘literatuurwetenschap’ een versie van ‘Paris-Match’ geworden?

Zo is ook het artikel van Willem G. Westeijn (of is dit professor Willem G. Weststeijn?) over het café ‘De zwerfhond’ in Sint-Petersburg aangenaam om lezen maar toch ook weer niet langer dan anderhalve minuut, vooral als plotseling het besef daagt dat we beter geïnformeerd zouden willen zijn over de Malevichcollectie in het Stedelijk Museum.

Er zijn ook nog 3 boekbesprekingen, god en de redactie weten waarom juist deze boeken uitgekozen zijn.

Een nieuw tijdschrift heeft zin als er iets nieuws gezegd moet worden. Nu is dit een verzwakking van andere tijdschriften (Ons erfdeel, ZL en Poëziekrant). En een aanslag op mijn inkrimpende tijd.

Advertisements