thomas bernhard und andere (49)

door johan velter

Immanuel Kant. Ik gebruik Suhrkamp Verlag (1978).

Artaud schrijft in het stuk ‘L’évolution du décor’ (1924, met dank aan Erik De Smedt) dat alle grote schrijvers de grenzen van het theater doorbroken hebben, dat men het theater zelf moet ontkennen om tot theater te komen. In de context van het artikel geplaatst: ‘Mais le théâtre, il faut le rejeter dans la vie. Ce qui ne veut pas dire qu’il faut faire de la vie au théâtre. Comme si on pouvait seulement imiter la vie. Ce qu’il faut, c’est retrouver la vie du théâtre, dans toute sa liberté.’ (Gallimard, Quarto, 2004, p. 91. In dit essai verwijst Artaud overigens ook– zonder hem bij naam te noemen– naar Picasso: ‘[…] de jeunes peintres qui ont retrouvé le sens de la véritable peinture. Ils peignent des joueurs d’échecs ou de cartes qui sont semblables à des dieux.’). Bernhard kende het werk van Artaud : hij schreef in 1956 een studie over Artaud en Brecht.

Vandaar de nadruk van Bernhard op het negatieve van het gekunstelde in het theater : dat is het theaterlijke. Wat hij wil, is het echte leven, dus een theaterleven op theater brengen. Maar het echte is natuurlijk niet het authentieke: het echte is de kunst. Het leven op toneel verbeelden is juist het onechte leven te tonen. Ook in deze opvattingen speelt Bernhard met tegengestelden.

Kant reist dus naar Amerika, wat ook niet zonder betekenis is. De oude filosoof, prototype van de Westerse, Europese intellectueel gaat naar Amerika, het centrum van het pragmatisme, de opvolger van het empirisme, het tegendeel van het rationalisme, de uitdager van de metafysica. We zien aldus de filosofie een vooruitgangsbeweging (!) maken van metafysica naar een functioneel denken. Het continentale denken wordt vervangen door het Angelsaksische. Dit is de evolutie die ook Ludwig Wittgenstein (weliswaar heen en weer) gemaakt heeft.

Kant: ‘Amerika / meine einzige Hoffnung’ (15).

Kant reist naar Amerika, niet alleen om een eredoctoraat op te halen maar ook om zich door Amerikaanse artsen te laten behandelen aan zijn ogen: hij heeft staar en ziet nauwelijks meer. Ook dit is niet toevallig: Kant is een denkmachine zonder zintuigen. Iemand het licht doen zien, is hem de waarheid tonen. De grote Verlichtingsfilosoof moet in Amerika het licht gaan halen. Bernhard is wreed.

Kant noemt in het toneelstuk slechts 1 andere filosoof en dit in steeds dezelfde bewering: ‚Mein Name ist Leibniz sagte er‘ (16). Leibniz is zijn eigen papegaai: hij kan slechts zijn eigen naam herhalen. (Later zal Kant repliceren met een echo: ‘Leibniz sagte Leibniz /Ich sagte Kant Kant’ (92): Kantiaanse humor.)

Bernhard is de meester van het mengen van het hoge en het lage leven. Ook in dit stuk weer: Kant eet ingewanden, drinkt dikke soep, schoenmaat 46 – altijd voordelig in de uitverkoop, zijn vrouw dekt hem toe, zijn gesprekspartner is een papegaai. De jarretelles van de miljonairsvrouw zijn losgeschoten (de sokophouder van Minetti is in ‘Minetti’ los gekomen): Bernhard ontluistert het voorkomen.

Kant schat zijn papegaai hoog in: Kants dienaar, Ernst Ludwig, is ook de dienaar van Friedrich, de papegaai. Hoe ernstiger de berichten in de krant zijn, hoe meer de papegaai lacht (35). Toen Leibniz een voordracht wilde geven en zag dat Friedrich in de zaal zat, weigerde hij zijn lezing te houden (37): de filosoof die in de spiegel kijkt, kan niet langer filosoof zijn. (Op het einde van het tweede deel, zal ook Bernhard Kant een lezing laten houden – die hij voortijdig zal afbreken: er is te veel wind op het dek.)

Kant: ‘Ich habe alles / was ich jemals gedacht habe / in Friedrich gespeichert / verliere ich Friedrich / habe ich alles verloren.’ (89) Toch kan het nog erger ( al naargelang, ook beter): in Würzburg had Kant slechts 1 toehoorder,  een hond (94).

Kant zegt dat hij de enige socialist is, de ware (56), ook al heeft de maatschappij door de weg van het socialisme te kiezen zelfmoord gepleegd: ‘Und der Kommunismus / ist eine Modetorheit / Marx eine Tunichtgut [een deugniet] / Der arme schwachsinnige Lenin / hat mich total mißverstanden / Alle diese Leute / waren nichts als geborene Romanschriftsteller / die ihr Talent / die ihr eigentliches Genie nie ausgeübt haben’ (58). Kant lijkt hier de plaats van Hegel in te nemen. In dit citaat zien we ook hoe Thomas Bernhard filosofie, politiek en literatuur op 1 hoop gooit. Een mestvaalt.

Net zoals in andere stukken van Bernhard wordt er van de hak op de tak gesprongen (ook al is dit niet altijd zo vrijblijvend), daarmee toont hij aan hoe grote denksystemen niet meer mogelijk zijn. De zinnen zijn slechts flitsen (al dan niet bliksemend, donderend), atomen. De taal wordt daarmee een mitrailleurvuur, is niet langer een geduldig opgebouwde toren. ‘Das System ist ein falsches System / das System ist immer ein falsches System’ (94), toch is Kant een systeemdenker geweest. Thomas Bernhard laat zijn figuren zichzelf ontkennen. We kunnen hierin een relatie met Ludwig Wittgenstein zien.

De miljonairsvrouw: ‘Kennen Sie Strindberg / Das ist ein Mann / alles andere ist nichts / da ist es besser ich nehme ein heißes Fußbad / als daß ich ins Theater gehe‘ (74) (Wat de leestekens betreft, is Bernhard een volgeling van Gertrude Stein.)

Kant vraagt haar echter ‚Kennen Sie Joseph Conrad  / Millionärin: Wer ist das / Kant: Einer unser größten Schriftsteller / Pole’ (82-83). Het woord ‚onze‘ is hier belangrijk en hiermee doet Bernhard zijn figuren boven het nationalisme uitstijgen.

In het derde deel komt de kunstverzamelaar Sonnenschein tevoorschijn. Hij is een Goyaspecialist (103), een antroposoof, een kosmopoliet maar ook een kenner van Rembrandt, Velasquez (108), allemaal oude kunst, de enige uitzondering daarop is Kubin (op p. 110 komt daar ook Toulouse bij).

Op het einde van het stuk gaat Kant dieper in op zijn relatie met Leibniz: ze maakten samen grote wandelingen, ze kwamen goed overeen, hun beider ‘broodheer’ was Newton.

P. 126: Frau Kant: ‘Columbus hat Amerika entdeckt / Amerika hat Kant entdeckt‘.

De ontluistering gaat verder. Kant danst met de miljonairsvrouw, de papegaai schreeuwt ‚Kant tanzt Kant tanzt Kant tanzt‘ (131). Is Kant zot? Is dit de dodendans? Ziet hij niet de dood waarin hij figureert?

Het schip meert aan. Op de kade staan artsen en verplegers van het New Yorks krankzinnigentehuis Kant op te wachten. Ze nemen hem mee. En daarmee wordt duidelijk dat het schip waarop Kant naar Amerika reisde ‘Das Narrenschiff’ (1494) van Sebastian Brant was.

p004

Jean-Michel Rabaté schreef in de aflevering ‘Lieux de l’écrit’ over Thomas Bernhard (Thomas Bernhard, Marval 1991 – dit essay bevat ook foto’s van de wonderlijke Frans-Waalse dichter, die zich in dit boek ‘reporter, c’est-à-dire photographe’ noemt en over wie onlangs het boek ‘Jean Daive: la partition’ (Hermann, 2013) verscheen) : ‘Ce n’est pas un hasard si l’épigraphe de Emmanuel Kant provient d’Artaud: “ … ce qui ne veut pas dire que le théâtre doive représenter la vie …”[wat dus geen letterlijk citaat is, jv]. Le théâtre de Bernhard est le lieu d’une destruction de la représentation, et il utilise les mots de manière musicale, les personnages comme des instruments, afin de laisser à l’illusion du reflet ou de la représentation la chance d’un entre-deux, coq-à-l’âne ou perspectivisme baroque, fête aux chandelles vite soufflées par le vent de la mort.’ (48).

Immanuel Kant (1978):

Antonin Artaud (L’évolution du décor, 1924), Immanuel Kant, Leibniz, Marx, Lenin, Strindberg, Joseph Conrad, Goya, Rembrandt, Velasquez, Kubin, Toulouse-Lautrec, Isaac Newton, Columbus