george en julia zitten op een bank voor het stadhuis van gent (3)

ubuesken_39

George en Julia zitten op een bank voor het stadhuis van Gent.

Julia: Kom, Geo, zet je hier. De laatste warme regen van het jaar.
George: Ja, mijn kind. We gaan onszelf nog eens verdrinken. Kijk, zie wat daar loopt. Een groene.
Julia: Ja, groen van nijd dat ze is. De sossen en kapitalisten hebben haar gezegd  dat ze geen 6 jaar een feestje zal kunnen houden en ’t is haar nochtans beloofd. ’t Is fini, ’t is besparen.
George: Ja, Saint-Daniël is een lepe duvel: hij vroeg de groene bij hem, gaf ze 3 schepenzetels, Judas kreeg nog 30 zilverlingen, en ze hebben niet alleen niks te zeggen, er is ook geen democratische oppositie meer. Ze moeten nu wel meedoen met de ander hun perversiteiten.
Julia: Hola, Georges, je vergeet de kleine Bracke. Die zal nogal wat kunnen verkopen.
George: Wat zou hij. Hij wil macht, hij zal ook zwijgen. Het zijn de gewone mensen die moeten dokken. Ze hebben ons met de verkiezingen belogen en bedrogen en binnen zes jaar is het weer van hetzelfde. Wat ze doen is niet voor ons, maar voor henzelf.
Julia: Kijk daar, wie loopt er daar te grienen?
George: Dat is Liesje.
Julia: Waarom loopt ze daar alzo?
George: Dat is Liesje. Meer  is er niet  van te verwachten.
Julia: Maar, ik zie het nu pas. Al die witte lakens als vlaggen, wat zou dat betekenen? Abdiceert Saint-Daniël misschien? Of is hij nu al heilig verklaard? In het Vaticaanstad witte rook, hier witte vlaggen.
George: Of ze willen misschien bewijzen dat het fijn stof en de roetdeeltjes in Gent niet zwart maar wit zijn.
Julia: En weet je, aan de bibliotheek hingen er ook oude, versleten lakens. Dat is precies de witte vlag dat ze daar uitgehangen hebben. Dat is gelijk in de oorlog: ze hebben geen munitie meer. Ze gaan zich overgeven. Ze hebben het opgegeven. Ze sluiten hun boel.
George: Dat is straf. In Amerika is er geen geld meer en wordt alles gesloten. Wij volgen de Amerikanen, ook al is er nog geld.
Julia: Maar wacht, George, ik herinner mij iets van de gazet. Het schijnt dat dat wil zeggen dat die mensen solidair zijn met de armoede.
George: Allez, welke kiekens zijn dat nu? Wie is er nu solidair met armoede of armen? En zeg me eens, hoeveel jaar socialistisch beleid is er hier al? Dat is toch al meer dan twintig jaar.
Julia: Een kwarteeuw, Geo.
George: Je zou toch mogen denken dat de armoede dan verminderd zou zijn? Men moet dus niet solidair zijn, men moet zich verzetten tegen diegenen die de lakens uitdelen.
Julia: En uithangen. Gelijk de grote Jan. Het is het tegendeel, George, er zijn nu meer arme kinderen dan vroeger; er zijn meer kinders die geen diploma hebben; er zijn meer ouders die nog nooit gewerkt hebben. Er is meer van alles: meer armoede, meer geweld, meer verkrachtingen, meer misdaad, meer milieuverontreiniging, meer dwaze konten, meer van dit en meer van dat. En ze moeten niet zeggen dat ze aandacht willen vragen voor de armoede. Wij wéten het. Die is overal hoorbaar en zichtbaar. Moeten wij nu zeggen dat het niet erg is? Nee, het stadsbestuur had beter moeten werken i.p.v. recepties af te dweilen, op reis te gaan en de mensen blauwe bloempjes wijs te maken.
George: Ja, Julia, je hebt weer gelijk. Kijk, ik zal mijn witte zakdoek uit mijn broekzak laten hangen.
Julia: Voilà, George, nu zijt gij ook een goede mens. (Ze scandeert) So-li-da-ri-teit.
Julia en George scanderen samen: So-li-da-ri-teit.
George: En ’t is nog goedkoop ook. Kom, geef mij nu maar een zoen.
Julia: En de volgende keer krijg je een medaille.