torso – joseph brodsky

door johan_velter

Schrijvend over ‘Du mußt’ en de torso bij Hölderlin en Rilke, dacht je niet aan ‘Torso’ van Joseph Brodsky, later wel.

De gedichten van de Russische dichter zijn toegankelijk, je leest wat je leest maar toch ontsnapt de betekenis soms en is de sfeer een zichzelf verdrijvende: het gedicht wordt meer dan de woorden en daardoor verliest de lezer zichzelf aan betekenis. Hij wordt meer dan zichzelf. Brodsky is ook een ‘echte’ dichter: het thema van de ballingschap staat bij hem centraal. Hij schrijft over de oppositie tussen het individu en het systeem. Ook daarom is hij een humanistisch schrijver. Zijn beelden zijn echter niet altijd accuraat, de poëzie gaat soms met hem op de loop.

‘Torso’, geschreven in 1972. Ik citeer dit gedicht uit de bundel ‘Ex ponto’, vertaald door Charles B. Timmer en herzien door Peter Zeeman (De Bezige Bij, 2000). Je hebt altijd de indruk dat deze gedichten eenvoudiger zijn dan wat Brodsky geschreven moet hebben. (Dit is een Engelse versie waar wel erg weinig rijm is overgebleven:
http://www.hulver.com/scoop/story/2008/5/18/8617/09889 )

Er is een aangesprokene, een ‘je’, maar die kan even goed een ik zijn: de auteur spreekt zichzelf toe, maant zichzelf aan in de geschiedenis te gaan staan – om te eindigen.

Kom je opeens in een stenen landschap terecht
met gras dat in marmer fraaier oogt dan in het echt,
zie je een faun iets doen met een nimf en zijn ze gewoon
gelukkiger in brons dan in een stoutste droom,
laat dan de staf maar vallen, vriend, uit je vermoeide hand:
Je bent in het Imperium beland.

Vanuit het leven stapt de ‘je’ in een artificiële wereld waar alles ‘versteend’ is, het echte leven kan hij nu achter zich laten, de wandeling (‘vermoeide hand’) is ten einde; zelfs het beweeglijke seksuele plezier wordt als minderwaardig beschouwd. Met Imperium lijkt Brodsky de Romeinse cultuur te bedoelen, minder een concrete tijds- of plaatsbepaling. Toch kun je je de vraag stellen of gras in marmer ooit het echte gras kan overtreffen. Brodsky evoceert hier de melancholische blik; een illustratie van de ‘oosterse’ lethargie.

Najaden, faunen, leeuwen, water, lucht en vuur,
ontsproten aan verbeelding of aan de natuur,
al wat God bedacht en door ons brein niet voortgezet
kon worden, is in steen en metaal omgezet.
Dit is het einde. Dit is de spiegel die daar staat
en die je binnengaat.

Er is letterlijk een stilstand: de dichter herneemt de eerste strofe. Het woord God detoneert in een Romeinse context: het is alsof de ‘verdrukking’ van de christenen aan bod zal komen.

Najaden zijn in de Griekse mythologie de waternimfen en vervangen de ‘nimfen’ uit de eerste strofe. De faunen blijven benoemd. Maar nu komen er leeuwen bij, de poortwachters. Ook drie van de vier elementen worden genoemd, de aarde ontbreekt. Merkwaardig is hoe Brodsky zowel natuur als verbeelding ontsproten aan god noemt. Wat de ‘je’ ziet is geen reële wereld want niet gemaakt door de mens: het is door god bedacht maar niet door de mens voortgezet. ‘Dit is het einde.’: Brodsky bevindt zich op de grens van leven en dood. Hij gaat de wereld van de gelukzaligen binnen (vandaar dat faun en nimf gelukkiger zijn), waar er geen beweging meer is (de hemelse sferen en muziek zijn volgens Brodsky dus niet meer mogelijk). Ook dit: melancholie, het verlangen naar stilstand, bewegingloosheid.

De derde strofe vraagt een enkele beweging om ook dan te verstenen.

Ga in een vrije nis staan, geef je ogen de kost,
en kijk maar eens hoe jaar door jaar wordt afgelost,
hoe eeuw na eeuw verstrijkt, hoe in liezen mos gedijt
en de rug bedekt raakt met stof, die kleuring door de tijd.
Iemand hakt een arm af, later rolt zwaar en plomp
het hoofd weg van de romp.

Het gedicht draait. In de eerste strofen stond de je aan de kant van het leven en keek in de spiegel. Nu overschrijdt de je de grens en staat hij aan de kant van de dood. Hij wordt aangemaand te kijken. Het oog heeft altijd een tweevoudige betekenis: het observeren en dus het aan de kant staan, het niet-deelnemen. Anderzijds is het oog ook het actieve element en participeert het aan wat gebeurt door de actieve blik. In het oog schuilt de ander. Het oog kan ook het begin van de daad, soms van de agressie zijn. (In het gedicht ‘De herfstkreet van de havik’ beschrijft Brodsky een havik die door de wind te hoog is opgetild om een hen te zien. Het is zeer de vraag of dit een correcte ‘waarneming’ is: het oog van een havik is niet het oog van een mens.) De tijd zal de ‘je’ bedekken: het kijken is het ondergaan geworden: mos groeit, stof ligt op de rug, ledematen afgehakt. Het afhakken is echter een menselijke daad (aan deze kant van de dood?): er is sprake van een agressie en dit is een inbreuk op het niet-actief handelende tijdsbeeld. Of moeten we de nis en het beeld beschouwen als elementen in het dodenrijk die door een levende bekeken en aangevallen worden? Er is een oppositie tussen de werking van de tijd en de menselijke daad.

De vierde strofe is de minste, te veel Walt Disney.

De torso, een naamloze som van spieren, resteert.
Duizend jaar later komt een muis die bivakkeert
in de nis, klauwtjes kapotgeschuurd op het graniet,
op een mooie avond piepend te voorschijn en schiet
het asfalt over om zijn hol die nacht niet terug te zien.
En daarna evenmin.

De Engelse versie spreekt van een ander gedicht dan dit, blijkbaar. In het Nederlands ‘resteert’ de torso: Brodsky heeft het stof en het mos achtergelaten. Dan introduceert hij een nietig wezen, een muis, dat contrasteert met de hardheid van het materiaal. Een muis kan geen steen of metaal wegknagen: het is er en het heeft niets met deze wereld te maken. De muis heeft enkel zijn klauw aan het graniet kapotgemaakt. Ook dit is een raar beeld: een muis is wel verstandiger dan dit. Of evoceert Brodsky de hulpeloosheid, de Sisyphusarbeid?  Het asfalt haalt het gedicht uit het Imperium weg om in het nu te belanden. Duizend jaar later? Waarom ziet de muis die nacht zijn hol niet terug en ook niet bij het aanbreken van de dag? Is dit het teken van de hoop (weg van de dood, het harde leven) of van de wanhoop (er is geen huis, er is slechts verdwijning).

Wat of wie verandert er? Voor Joseph Brodsky niemand of niets: de je staat in de nis, wordt bekeken. Er is geen gloed.

Advertenties