du mußt (5)

door johan_velter

Met een twijfelachtige moraal, een roker van dikke sigaren in een tijd toen verderfelijke kapitalisten in het zwart gekleed waren (nu nog, nu nog), hoge hoeden op hadden en inderdaad dikke sigaren rookten, een vrouwengek die zich liet onderhouden en zijn vrouwen gebruikte, een mateloos opleven van het leven. Bertolt Brecht.

Lob des Lernens

Lerne das Einfachste! Für die / Deren Zeit gekommen ist / Ist es nie zu spät! / Lerne das ABC, es genügt nicht, aber / Lerne es! Laß es dicht nicht verdrießen! / Fang an! Du mußt alles wissen! / Du mußt die Führung übernehmen.

Lerne, Mann im Asyl! / Lerne, Mann im Gefängnis! / Lerne, Frau in der Küche! / Lerne, Sechzigjährige! / Du mußt die Führung übernehmen. / Suche die Schule auf, Obdachloser! / Verschaffe dir Wissen, frierender! / Hungriger, greif nach dem Buch: es ist eine Waffe. / Du mußt die Führung übernehmen.

Scheue dich nicht, zu fragen, Genosse! / Laß dir nichts einreden / Sieh selber nach! / Was du nicht selber weißt / Weißt du nicht. / Prüfe die Rechnung / Du mußt die bezahlen. / Lege den Finger auf jeden Posten / Frage: wie kommt er hierher? / Du mußt die Führung übernehmen.

du musst_5a

Dit gedicht is er 1 uit een reeks  ‚Lobgedichte‘, ‘Lof van het communisme‘, ‘Lof van de partij‘, ‘Lof van de illegale arbeid’, liederen uit de stukken ‘Die Mutter’ en ‘Die Maßnahme’. Met Brecht zitten we in een andere wereld, niet meer die van het burgerlijk individu dat aan zichzelf werkt maar die van de deelgenoot, de kameraad die aan zichzelf werkt om de wereld te veranderen. Brecht heeft de intelligentie een dimensie toegevoegd: de wereld is elkeens verantwoordelijkheid. Hij is een ambivalent figuur omdat hij ook een overgangsfiguur is. Hij is geen communist geweest, geen partijganger, geen dwaas (alhoewel hij dwaze dingen gedaan heeft), hij is zijn eigen weg gegaan en daartoe heeft hij ook de partij gebruikt. Hij was burgerlijk en proletarisch; ook hij dronk de kannen van de burgerman leeg.

Brecht schreef in een andere tijd dan de onze. Het analfabetisme was een gemene zaak, het bedrog een normale daad. De arbeider moest kennis verwerven om inzicht te krijgen in de machtsmechanismen, om de corruptie te constateren, zich niet te laten bedriegen én het gezag omver te werpen. Kennis was macht omdat kennis niet in dienst stond van het geld maar van de mens. Kranten, boeken waren wapens omdat ze de waarheid konden blootleggen. Kennis hebben van de wereld was een morele daad én een morele imperatief: wie weet hoe de wereld in elkaar steekt, aanvaardt die niet. Ook vandaag geldt dit nog maar de kennis is overgoten met een verdovende karamelsaus waardoor we weten maar niet handelen. Kennis is vervangen door informatie: partikels, geen geheel. Weten hoe de wereld in elkaar steekt, is geen imperatief meer: het wordt aanvaard. Al te veel bedrogen door links, rechts gerechtvaardigd verworpen.

Er is een wijziging. Niet de kennis regeert de wereld maar wel de grofheid, de domheid, de arrogantie, het lawaai, de agressie, de onmenselijkheid. Wat kan een intellectueel tegen een barbaar doen? Wat doet een mens tegen het speeksel van een bruut?

Brecht wilde dat de verdrukte kennis opdeed omdat hij in een humanistisch kader leefde. Dit raamwerk is verdwenen. De onderdrukte moet geen kennis opdoen, hij is tevreden met zijn auto, met zijn televisie. Hij moet niets doen.

Brecht heeft een ‘Bildungsideal’, kunst en kennis zijn met elkaar verbonden. De weerbaarheid van het individu moet door hemzelf opgebouwd worden: hij moet leren. Dat Brecht in de dagelijkse realiteit stond, komt tot uiting in de eerste strofe. Natuurlijk is het abc niet voldoende maar begin daar toch maar mee, het is ook nooit te laat. De zelfstudie geldt voor iedereen (strofe 2): mannen in uitzonderlijke omstandigheden, vrouwen, ouderen, verdrukten en havelozen. De derde strofe is de praktijk: laat je niets wijsmaken, pluis alles uit en roep ter verantwoording. Het belangrijkste is dat jij de opvoeding, het onderwijs moet overnemen: laat je niet langer bedriegen. (Zoals de huidige sociaaldemocratie het nu met jou doet.) De imperatief is bij Brecht een axiologische.

Het gedicht ‚Ich habe gehört, ihr wollt nichts lernen’ is geschreven in het begin van de jaren dertig en behoort tot ‘een reeks’ ‘Ich habe gehört’-gedichten. Het richt zich nu tot kinderen en de toon is quasi schamper. Ha, je wilt niet leren, dan ben je een miljonair, je ouders hebben voor alles gezorgd. Nee, jij moet niet leren. Maar wacht, de tijden zijn onrustig en als er je dan iets overkomt, zoek je een leider (‚Führer’) die je zal zeggen wat je moet doen, men zal je beliegen. En dus, als dit niet het geval is, als je geen miljonair bent en als je niet in de val wilt trappen van de demagogie ‘Müßtest du lernen’.

Uit de ‘Steffinsche Sammlung’ komt het gedicht ‘Mein junger Sohn fragt mich: Soll ich Mathematik lernen?‘, weer een dialektische denkwijze. Waarom zou je wiskunde leren, zegt de ik, dat twee stukken brood meer zijn dan 1 zul je zo ook wel leren. Zal ik Engels leren, vraagt de zoon. Waartoe (‘Wozu’, de vraag van Hölderlin, van Benn, van Elckerlyc), dat rijk gaat toch ten onder. Grijp naar je buik en kreun, de mensen zullen je wel verstaan. Mijn jonge zoon vraagt of hij geschiedenis moet leren. Waartoe, zeg ik hem, steek je hoofd in het zand: ‘Da wirst du vielleicht übrigbleiben’. Daarna volgt een witregel. Deze witregel zegt: is dit een mens, is het zo dat men moet leven, is het menselijke bestaan een bestaan in het zand, leven we om dood te zijn? Het wit in de poëzie is niet altijd een geheim of een verhullen, het kan ook een bewustwording zijn, een keerpunt, de waarheid. Het gedicht besluit na het wit dus met: ‘Ja, lerne Mathematik, sage ich / Lerne Englisch, lerne Geschichte!’. Door kennis is een mens niet meer afhankelijk van de ander, kan hij voor zichzelf zorgen. Niet alleen materieel, ook geestelijk. De onafhankelijke geest, het zelfstandige handelen, zo wordt een mens gedefinieerd.

Het gedicht ‚An meinen Sohn‘ is het zoveelste leerdicht. Er is bij Brecht een belerende toon maar er is ook veel cynisme, een gekwetste. Brecht geeft zijn zoon 13 raadwijzen mee. De eerste raadgeving: ‘Du mußt es so anfangen, daß sie dich in deinem bequemsten Anzug fotografieren wollen.‘

De tweede regel is de kantiaanse imperatief: ‚Das was du von Ethik brauchst, ist: daß du so handelst wie derjenige Bursche, der du gern sein möchtest.‘ Brecht geeft de jongen een ideaalbeeld van zichzelf mee: je kunt een betere ik zijn, handel daar ook naar. Opvoeding is een levenslang proces: elke ervaring leert ons, elke mens is een encyclopedie, elk jaar een studiejaar. Er zijn overwinningen, er zijn nederlagen. Belangrijk is hoeveel nederlagen je verdragen kunt.

Kennis is met moraal verbonden (het gedicht ‘If’ van Rudyard Kipling ( http://4umi.com/kipling/if/nl  ) heeft met deze cultuur een verband, toch is er hier meer sprake van een Romeinse moraal dan van een humanistische cultuur dat het huis van Brecht is): het goede doen is afhankelijk van het weten; het weten heeft maar zin als er een morele component mee gemoeid is. We zijn met Brecht in de Griekse wereld beland.

Advertisements