envoi: italo calvino, guido cavalcanti, giovanni boccaccio, ezra pound, hugo claus

door johan_velter

Italo Calvino overleed op 19 december 1985. Een schrijver die buiten de tijd stond, een intellectueel die vandaag de dag niet meer mag bestaan. Zijn werk is ruimschoots in het Nederlands vertaald. Lees dit, vergeet dat.

Hugo Claus was met de Italiaanse schrijver in 1959 op ‘werkbezoek’ in de Verenigde Staten. Hun werk bezit affiniteit, toch is Calvino spiritueler, vrijer, fantasierijker. Claus moet door hem gefascineerd zijn: de lichtheid was aantrekkelijk, maar Claus heeft deze houding moeten bevechten. In het Claus-jaarboek, ‘Het teken van de ram 3’ wordt dit beschreven op p. 142 e.v. Italo Calvino schreef in zijn dagboek over Claus: ‘Hij is de enige van de drie schrijvers die heel veel gelezen heeft en wiens oordelen betrouwbaar zijn.’

In 1993 verscheen ‘De sporen’, in het boek was een aantal in-memoriamgedichten opgenomen, ‘Vijf nenia’s’. O.a. Italo Calvino werd hier betreurd. In het gedicht ‘Italo Calvino’ wordt de Amerika-reis geëvoceerd. Claus schildert de Italiaanse schrijver als een verfijnde dandy die elke dag een andere vrouw versierde, maar er is ook, terloops, een stellingname. ‘Het is dertig jaar geleden. / Wij schreven toen poëzie zonder leestekens. / Hij had met de partizanen in de bergen geleefd, / dan wantrouw je spontaneïteit.’

In deze regels neemt Claus, voor de zoveelste maal, afscheid van zijn ‘avant-garde-periode’, de tijd van de Vijftigers. Het spontane staat tegenover de werkelijkheid en daarom verdedigt hij het maniërisme. Het was de tijd van de zwaarte, nu leeft hij in het lichte.

In 2004 verschijnt zijn laatste bundel, ‘In geval van nood’. Het motto is ‘Con leggerezza pensosa’, dat vertaald kan worden als ‘met een bedachtzame lichtheid’. Annette van den Bosch schreef op Meander dat dit waarschijnlijk verwijst naar Calvino (maar het motto verwijst wel degelijk naar Calvino, zie verder): ‘Deze woorden zijn waarschijnlijk ontleend aan de Italiaanse schrijver Italo Calvino. De Amerikaanse componist Elliot Carter (1909), de man die op 90-jarige leeftijd zijn eerste opera schreef, componeerde in 1990 een stuk voor klarinet, viool en cello met de titel ‘Con leggerezza pensosa’, opgedragen aan Italo Calvino.’ (Alweer een illustratie dat er voor Claus ook nog andere muziek bestond dan jazz.)

In 1985 schreef Italo Calvino ‘Zes memo’s voor het volgende millennium’, een reeks lezingen voor Harvard maar hij zou die nooit voorlezen. Hij stierf. Hij had de teksten uitgeschreven en ze verschenen in 1988 als een postume uitgave. Het boek werd in 1991 door Bert Bakker in een vertaling van Linde Pennings uitgebracht. De titel zou het niet doen vermoeden maar dit werk is een poëtica. Het gaat om de zes grote principes waaraan literatuur zou moeten beantwoorden: lichtheid, economie van middelen, juistheid, zichtbaarheid, veelvormigheid (en het niet geschreven consistentie). Je vervloekt jezelf omdat het  1 van die boeken is die je had moeten lezen vooraleer je al die rommel gelezen hebt. De manier waarop Calvino bijvoorbeeld de lucretiaanse gedachten in de Europese literatuur sprokkelt is van een verbluffende helderheid. Een vreugde.

Het motto voor ‘In geval van nood’ komt uit de volgende, vertaalde zin: ‘Ik hoop vooral te hebben aangetoond dat er een lichtheid bestaat die voortkomt uit nadenkendheid, naast de lichtheid die we kennen als kenmerk van lichtzinnigheid. Deze nadenkende lichtheid kan lichtzinnigheid zelfs zwaar en ondoorzichtig doen lijken.’ (p. 20). De Engelse vertaling van Harvard University Press, 1988: ‘lightness of thoughtfulness’ en ‘thoughtful lightness’. Claus heeft de Elliott Carter-formule overgenomen; zijn bundel is daardoor een muziekstuk geworden, geen jazz.

In 1994 verschijnt van Claus ‘Gedichten 1948-1973’. Het laatste gedicht is ‘Envoi’, de titel staat op een verder blanke pagina, het gedicht bevat 4 strofen. Laten we eerst luisteren naar hoe ‘Absynthe Minded’ dit gedicht transformeerde:

De laatste strofe luidt: Ga nu, verzen, op jullie lichte voeten, / jullie hebben niet hard getrapt op de oude aarde / waar de graven lachen als zij hun gasten zien, / het ene lijk gestapeld op het andere. / Ga nu en wankel naar haar / die ik niet ken’

De strofe is verrassend omdat er een combinatie is van lichtheid en dood; er zijn graven die lachen; in de eerste regel gaat het om ‘lichte voeten’, in de voorlaatste om wankelen; er is sprake van een relatie, een communicatie, een band: de dichter kent niet de vrouw die hem lezen zal.

Eerder in het gedicht sprak Hugo Claus van zijn gapende verzen, hij stuurt ze het huis uit, het zijn rijmen van een cent, ze zijn niet klassiek en ze doen niet wat van deftige verzen verlangd zou mogen worden. Het is alsof hij er van af wil zijn, hij zich schaamt. Het is alsof.

Het eerste ‘memo’ van Italo Calvino behandelt de lichtheid, een van de kenmerken waaraan literatuur zou moeten beantwoorden en waardoor literatuur zich onderscheidt van de wereld. Hij springt schijnbaar van het ene onderwerp op het andere. Springerigheid is een ander woord voor lichtheid, onachtzaamheid, ja geluk. (Hoe anders zijn de huidige schrijvers die zich onderworpen hebben aan de eisen van het gezag en adepten van het sociaal-realisme geworden zijn.) Een van de schrijvers die hij aanhaalt, is Guido Cavalcanti, een vriend van Dante en mogelijk een atheïst — niet toevallig vermeldt Calvino Lucretius. Hij karakteriseert het werk: ‘[. ..] bij Cavalcanti wordt het gewicht van de materie opgelost doordat de menselijke beeltenis uit vele, verwisselbare materialen kan bestaan.’ (p. 23).

Atta897a

‘[. ..] het gaat altijd om iets dat gekenmerkt wordt door drie eigenschappen: 1 het is zeer licht; 2 het is in beweging; 3 het is drager van informatie. In sommige gedichten is deze boodschap-boodschapper de poëtische tekst zelf: [. ..]’ (22). De drie eigenschappen die Calvino hier opsomt zijn van toepassing op ‘Envoi’: het gaat om lichte dingen, verzen, die kunnen verwaaien; er is beweging (uit het huis, in de natuur, de tijd (de seizoenen) speelt een rol, er is sprake van een ‘ontvanger’. En het gedicht gaat ook over het dichten zelf: het heeft zichzelf tot onderwerp, een kenmerk dat bij Cavalcanti en Claus terugkeert.

Calvino vervolgt: ‘[. ..]: in zijn beroemdste gedicht spreekt de dichter in ballingschap tot de ballade die hij schrijft en zegt: ‘Va tu, leggera e piana / dritt’a la donna mia’ (Vlieg, zacht en licht, direct naar mijn beminde).’ Claus dichtte: ‘Ga nu, verzen op jullie lichte voeten, / [. ..] Ga nu en wankel naar haar / die ik niet ken.’. We kunnen nog een bron aanduiden, en die is te vinden bij de door Claus zeer gewaardeerde Ezra Pound, die in zijn gedicht ‘Commission’ (uit Contemporania zijn verzen aanspoort: ‘Go, my songs, to the lonely and the unsatisfied / […]

Van Cavalcanti zijn voor zover ik weet slechts twee gedichten regulier en in hedendaags Nederlands vertaald, door Frans van Dooren en Paul Claes. Van het hierboven geciteerde gedicht is op het internet echter een vertaling te vinden. R.J. Valkhoff vertaalde ‘Perch’i’ no spero di tomar giammai’: ‘Omdat ik niet meer hoop, mijn lied, /ooit weer te zien, Toscaans gebied, /ga dan licht en stil / naar mijn vrouw zweven / die door haar hoffelijkheid / u alle eer zal geven.’ (Ik heb de opvallendste zwaarte uit deze vertaling gehaald, de rest vindt u op: 


http://people.zeelandnet.nl/henklensen/cavalcantivalkhoff.htm

Het werk van Cavalcanti vraagt om vertaald te worden, een medicijn voor het gif.


Maar Hugo Claus schreef tussen de geciteerde verzen ook over de grafzerken en hun gasten. Wat betekent dit? Ook hiervoor kunnen we te rade gaan bij Calvino die een verhaal uit de Decamerone aanhaalt, VI, 9. Guido Cavalcanti, een ernstig filosoof, wandelt op het kerkhof, alleen. Zijn leeftijdgenoten, losbandig, dwaas, lichtzinnig, zien hem lopen en stormen paardgewijs op hem toe. Ze dagen hem uit: ‘Guido, stel dat je inderdaad gelijk hebt dat God niet bestaat, wat heb je dan gewonnen?’ Hij antwoordt (in de vertaling van Frans Denissen): ‘Toen Guido merkte dat hij door hen ingesloten was antwoordde hij prompt: ‘Heren, u hoeft geen blad voor de mond te nemen. Daarop legde hij zijn hand op een van de hoge grafstenen, wipte er met één lenige sprong overheen en gaf hun het nakijken.’

Met open mond bleef men staren, Guido is zot. Toch was er 1 die wijzer was: ‘Als jullie dat niet snappen, zijn jullie zelf niet goed wijs. Hij heeft ons namelijk kort maar goed de les gelezen! Op de keper beschouwd zijn al die graftomben hier de huizen van de doden. Als hij nu zegt dat we hier thuis zijn, bedoelt hij daarmee dat ongeletterde idioten als wij, in vergelijking met hem en andere geleerden, er erger aan toe zijn dan de doden, met andere woorden: dat wij hier eigenlijk thuishoren.’

Dit is de verklaring die Boccaccio van zijn eigen verhaal geeft. Italo Calvino legt echter nog een ander gegeven bloot: ‘Wat me vooral treft is het visuele beeld dat Boccaccio oproept: Cavalcanti die zich met een sprong bevrijdt, [. ..], als iemand die vederlicht is.’ Het vederlichte, het gewichtloze is bij Claus een ideaal geweest; de realiteit was het waggelen, het wankelen.

Dit detail, de dichter die over graven springt, laat Calvino toe zijn opvatting pregnant neer te schrijven: ‘[. ..] de onverwachte, lichte sprong van de dichter-filosoof, die zich verheft boven de zwaarte van de wereld en daarmee aantoont dat zijn zwaarwichtigheid het geheim van de lichtheid bevat, terwijl datgene wat velen beschouwen als de levenskracht van alle tijden, het lawaaiige, agressieve, dreunende en razende, in feite behoort tot het rijk van de dood, als een kerkhof voor verroeste autowrakken.’ De dichter overwint met zijn lichtheid de dood.

Hugo Claus schrijft: ‘jullie hebben niet hard getrapt op de oude aarde / waar de graven lachen als zij hun gasten zien, / het ene lijk gestapeld op het andere.’ Claus verandert, moduleert. Hij spreekt de verzen aan, niet de jongelui. Hij looft hen omdat ze niet hard op de aarde getrapt hebben: ze hebben niet gestampvoet of paarden gedreven. Nee, op lichte voeten: ze hebben niet gestoord, niet gemoord. De verzen, de lichte dingen, zijn het levende; de anderen zijn lijken. Ga nu, zegt Claus, en bedrijf de liefde — in mijn plaats.

Als Claus zijn verzen wat minnetjes aanduidt, dan is dit slechts schijn. Hij houdt ons een levensles voor: de lichtheid, het onaanzienlijke stelt hij tegen de zwaarte van de tijd. Het is maar dit, maar het is meer dan dat.

Advertenties