george en julia zitten op een bank voor het stadhuis van gent (2)

Ubuesken_11

George en Julia zitten op een bank voor het stadhuis van Gent.

Julia: Voilà, Geo, we zitten hier weer.

George: Ja, Julia, we gaan wij weer een keer bibliotheekje spelen.

Julia: Ja, Geo, van de 21ste eeuw. Een schone ontmoeting, hard en diep gelijk dat dat moet. Waarom dat zij daar zo’n gebouw voor nodig hebben, versta ik niet. En je moet daar eens kijken. Ze zetten daar zo’n groot, duur en modern gebouw neer en wat is dat daar, onder de stadshal?

George: Dat is een hart van twijgentakken, dat is voor de commerce, Saint-Valentin. Dat trekt op niets. Dat is buiten verhouding. Die mensen, dat wil modern zijn maar dat heeft geen smaak, geen cultuur. Dat is lucht.

Julia: ’t Is waar, dat wil wel, dat kan niet. Maar wat heb je daar bij?

George: ‘Utopia’ van Thomas More. En ’t is precies Gent.

Julia: Hoe dat?

George. Luister. ‘Utopia’ begint met een gedicht van de heer Windbuil.

Julia: Oei, Termont doet mee. Hij zou dan toch zelf kunnen schrijven?

George (onverstoord, hij leest): ‘Utopia heet ik, het land waar niemand heen wil gaan,’

Julia: ’t Is waar, meer dan de helft van de Gentenaars wil uit Gent vertrekken. Ze zijn het hier beu.

George (onverstoord, hij leest): ‘en toch kan ik met Plato’s Staat de vergelijking aan; / ik win misschien zelfs wel, want die bestaat slechts uit papier’

Julia: O, Geo, was Gent ook maar van papier, dan was het misschien alleen maar een nachtmerrie en geen bittere werkelijkheid.

George (onverstoord, hij leest): ‘en loze praat, terwijl het allemaal wel echt is hier!’

Julia (verwijtend): George, je liegt. Staat dat daar echt?  Loze praat? Die Thomas More dat was een heilige, dat hij zo kon vooruitzien en dat bestuur van ons zo kon tekenen, amai, dat is een krak.

George (onverstoord, hij leest): ‘Mijn wetten zijn het allerbest, mijn volk is rijk en blij: / Eutopia, land van geluk, die naam past meer bij mij!’

Julia: George, George, het is precies Termont die een pint op heeft en over de stad en hemzelf aan het zwatelen is. Ze geloven dat echt, hé, dat zij de beste zijn.

George: Vaneigens, en binnenkort bestaat Gent ook niet meer; ze gaan zij ook die naam veranderen. Dat wordt hier de hoofdstad van de wereld, Idiotië gaat dat hier heten.

Julia: Ja, eerst heeft Termont de rekenkunde veranderd in een Gentse en nu wil hij de taal afschaffen en moet iedereen die hier rondloopt zich een Gentenaar noemen.

George: Ja, maar die Gentse rekenkunde was toch ook niet helemaal juist.

Julia: Welnee, de helft is niet de helft en drievierde is gelijk een derde. Weet je nog, de politie had geteld hoeveel fietsers er zonder licht reden, maar dat automobilisten studenten kunnen dood rijden daar hebben ze geen tijd voor om te doen wat ze moeten doen, en hun conclusie was dat er acht op tien met licht reden en dus twee op tien niet. En wat zegt Termont? De helft van de coureurs rijdt zonder licht. George, dat is niet meer om te lachen. Ik begin schrik te krijgen. Dat is gelijk met ‘De Lijn’ waar geteld werd en dat men zei dat de helft van de mensen zich niet veilig voelt op de bus of de tram en dat die schurken zeiden dat 70% zich wél veilig voelde. 70% zeiden ze, maar ze kunnen nog niet tellen hoeveel reizigers ze hebben. De minister moet miljoenen uitgeven om een systeem te installeren waardoor we eindelijk gaan weten hoeveel keer dat ze ons al bedrogen hebben.

George: ’t Is waar. Eerst dachten we dat het een komedie was. Een stadbestuur dat gelijk de Pfaffs onnozel doet, is goed voor het amusement. Maar het applaus is hun naar het hoofd gestegen en nu is het een tragedie geworden.

Julia: Niet voor hen, George, hun zakken zijn gevuld. Maar voor ons. Er is geen vrijheid meer, we mogen niet meer peinzen wat we willen en wat we zien is volgens het bestuur niet waar. Wat echt is, is niet echt en wat vals is, is niet vals.

Op dat moment openen zich plots en plechtstatig de muren van het stadhuis en we zien de zaal der schepenen.

Termont zit op twee stoelen: ‘Ah, daar is hij zie, Resulleke, ons Schanulleke. We hebben niet gewacht, we hebben al ’t een en ander besproken en beslist. Ge moet gij ook op uw horloge kijken. Ik ga nu een moment van ontspannink voor de anderen inlassen. Awel, Resulleke, vertel es, welke koeken gaat gij ons vandaag bakken?’

Resul Tapmaz gaat zitten, doet open wat open kan en spreekt:  ‘Ik liep gisteren van het ene restaurant van mij naar het andere restaurant van mij en ik gaf hier een sleutelhanger, daar een lekstok. Iedereen zeer content en blij mij te zien. In het laatste restaurant zag ik daar zitten mijnheer Basis. En ik ging naar hem toe en ik zei hem goedendag mijnheer Basis en gelijk wij Turken vriendelijk zijn hoe schoon hij er uit ziet en hoe het is met zijn madame en met zijn auto en de kinders en of ’t hem smaakt. Basis zei mij dat hij content was van mij maar niet van het bestuur.’

‘Wat’, zegt Termont, ‘niet content? We gaan mijnheer Basis buitenzetten.’

‘Hela’, zegt Resul Tapmaz, ‘mijn commerce! Ik vraag hem wat scheelt er, mijnheer Basis. En mijnheer Basis zegt mij dat hij Basis bevraagd heeft en dat iedereen van zijn gedacht is. Het woord allochtoon dat zou verboden moeten worden. En ik geef hem direct gelijk. Mijn commerce hé. En ik heb hem gezeid: een Genteneir is geen allochtoon. We gaan wij de woorden vreemdeling, allochtoon vervangen door Genteneir, dat stigmatiseert niet zoveel. Peins ik.  We hebben dat vroeger ook met het woord flik gedaan en zie dat komt allemaal op tv en werkt nu alleen nog ’s nachts voor een dubbele pree.’

‘Termont zegt dat Termont goed geluisterd heeft’, zegt Termont, ‘en Termont peinst. Luister, allemaal. Woorden zijn belangrijk. Ik heb thuis een boek en daar staan ook woorden in.  Luister, naar wat ik allemaal helegans zelve peins. Fijn stof wordt alzo dik stof! Ha! Een bibliotheek met majorettes! Ha! Een mobiliteitsplan met dode studenten! Ha! Stadsdiensten zonder personeel! Ha! Ha!’ (Hij kalmeert even.)

‘Maar als ge iets afneemt, moet ge de mensen ook iets geven. Want anders zij
n ze malcontent. En dat komt in de gazetten en op blogs en zo. We hebben al die jaren al dat geld gegeven om de gazetten aan onze kant te krijgen en nu zijn er gasten op dat interinternet die van alles over ons vertellen dat juist is en ik ben dat beu.’ (Doet geheimzinnig.)

‘We moeten zelf het voorbeeld geven en zelf nieuwe dingen uitvinden.  Nieuwe woorden! Nieuwe namen! Dat maakt het hele verhaal een win-win. Iedereen stil en mond open: ik heb een groot en schoon gedacht van mezelve. Ik zal spelen de grote leader en ik ga mijn naam veranderen gelijk dat dat meer past voor iemand met de envergure en de carrure gelijk ik. Iets waar de Genteneirs trots op zullen zijn. Voilà, ik ga het zeggen, luister en zwijg. Ik ga mijn naam veranderen. Daniël was al veranderd in Saint-Daniël, dat komt niet van Saint-Pierre, maar van Saint-Beuf, een groot schrijver schijnt het van in de tijd van vroeger. En mijn achternaam ga ik nu ook veranderen in, let op, ‘la lumière de la Montagne, du Peuple, les Astres et le Soleil lui-même.’ Voilà, gelijk mijn naam het zegt, dat ben ik helegans. ik ben een kind van het volk en ik blijf van het volk, le peuple, Liesje, le peuple, da ’s nog iets anders dan dat Volk und Gemeinschaft van jullie hé. En je moet daar een keer naar luisteren, al die woorden achter mekaar, en dan zelf zachtjes uitspreken, da’s gelijk honink op je tongetje. Ik stel voor dat we dat een keer allemaal samen zeggen. Allez, de normale rechts en de bruinmannen links en die zijn tweede stem, die zijn toch altijd ten achter en staan dubbel geparkeerd. Grapke, Resulleke, grapke, mijn Abdulleke.

(De schepenen schrapen hun keel, leggen hun hoofdje scheef en zingen allemaal samen): ‘Saint-Daniël, la lumière de la Montagne, du Peuple, les Astres et le Soleil lui-même.’

Termont : ‘ Allez, nog een keer gasten, dat was schone.’

De muren van het stadhuis sluiten zich langzaam en plechtstatig. George leest ‘Er was daar toevallig ook een plaatselijke klaploper, die graag de lolbroek wilde uithangen. Hij was daar zelfs zo goed in dat het wel echt leek.’