de schilderijen van roger raveel door hugo claus (4)

door johan_velter

‘De schilderijen van Roger Raveel door Hugo Claus’ was een catalogus van Galerie Espace bij de eerste tentoonstelling van Raveel in Nederland, 1965. Het boek was in de eerste plaats dus een propagandamiddel voor het werk van Raveel. Hier publiceerde Claus een aantal gedichten die hij later zou samenbrengen in het gedicht ‘Thuis (voor Roger Raveel)’ in 1970. (Nog een ander gedicht draagt de titel ‘Thuis’ (in de bundel ‘Paal en perk’, 1955); er is nog toneelstuk ‘Thuis’ (1975) en een gedicht ‘Thuis’ in ‘Almanak’ (1982) voor 14 februari.)

De ‘voetnoten’, de commentaren die Claus onderaan de pagina liet opnemen, moesten getuigen van zijn eruditie, kritische reflectie en speelse geest. Ze waren pogingen om Raveel in een cultuur onder te brengen, hem niet te zien als een Jean-Jacques of als de voorloper van Hubert en Jan van Eyck. De anekdote over Karel Van de Woestijne kwam later terecht in een ‘dagboekblad’. De bundel  ‘Van horen zeggen’ verscheen in september 1970, althans als we de aankondiging van de uitgeverij mogen geloven. De ‘Dagboekbladen’ verschenen echter eerst in ‘De Gids’, nr. 4-5 1970. Claus was een auteur die een onderscheid maakte tussen reguliere en marginale uitgaven: deze laatste konden een broedplaats zijn, hier bewaarde hij zaken om die later te bewerken, te verwerken. Zoals hij het uitdrukte ‘een gedicht moet kunnen kelderen’. Het is altijd fascinerend te zien hoeveel jaar er soms nodig was tot een fragment zijn plaats gevonden had.

De redactie opent het Gids-nummer met een verwelkoming: ‘Tot ons genoegen hebben wij Hugo Claus bereid gevonden de redacteurszetel te bezetten die door de dood van Ed. Hoornik was vrijgekomen. Wij heten hem hartelijk midden in ons midden.’ Het nummer opent met zijn ‘Dagboekbladen’, de reeks die later dat jaar in ‘Van horen zeggen’ zal verschijnen. Maar het is een totaal andere reeks die we hier kunnen zien. In het ‘De Gids’-nummer is het eerste gedicht ‘Zuidoost-Azië’ 30 regels lang, in drie delen opgebouwd. In de boekversie is het nog 8 regels lang, in twee delen opgesplitst.

Nr. V is in ‘De Gids’ het bekende ‘Op Thomas zijn vierde verjaardag’ (in de boekuitgave komen alle titels tussen ronde haken te staan; in het tijdschrift is dit nog niet zo). Maar in ‘Van horen zeggen’ is het vijfde gedicht ‘(Droom) en ‘Thomas’ het zesde gedicht. Enzovoort. Er zijn dus heel wat verschillen, zowel in de gedichten zelf, als in de opbouw, als in de typografie. Het tiende dagboekblad in ‘De Gids’ is getiteld ‘Een collectioneur’ en is niet in de reeks ‘Dagboekbladen’ van de reguliere uitgave opgenomen maar als een apart staand gedicht (p. 48).

Het gedicht is enigszins veranderd maar niet naar betekenis, de zinnen zijn veranderd. Er is een zintuig weggelaten: ‘Zijn blik: een raster’. Nochtans een essentieel element voor een kunstverzamelaar, zou je denken. Maar door deze weglating is het gedicht nog pregnanter geworden: de collectioneur heeft immers géén blik maar enkel een adem van quoteringen, zijn oren zijn catalogi en zijn stem laat platitudes horen. In de boekuitgave is toegevoegd ‘Kunst is een check op de toekomst’. Dit is inderdaad de prietpraat van ministers van cultuur, cultuurfunctionarissen, ijdele zelfteuten.

De collectioneur die Claus hier opvoert, is een slechte collectioneur en verwijst naar het schilderij ‘De slechte collectioneur’ van Roger Raveel. Het werk werd 1963 gedateerd, gedicht en schilderij kunnen dus inderdaad met elkaar verbonden worden.

 

Attf1555

 


Katrien Jacobs heeft deze kwestie in haar boek ‘Hugo Claus-Roger Raveel: brieven 1947-1962’ (Ludion, 2007) uit de doeken gedaan. De zaak draait rond Maurits Naessens, collaborateur, verzamelaar en bankier-socialist (de Vlaamse werkelijkheid is een wondere). Naessens had Seuphor de opdracht gegeven een werk te schrijven ronde abstracte schilderkunst in Vlaanderen en hij had een schilderij van Raveel willen kopen. Dat kostte 12.500 frank (d.i. 312 euro) maar Naessens wilde maar 5.000 frank (125 euro) geven (een typische koehandel: ik vermeld jou dus moet jij je schilderij goedkoper maken).

Claus en Raveel waren woedend en wilden een comité stichten om dat soort beuzelaars de pas af te snijden. Er kwam een briefwisseling op gang en Raveel weigerde nog in ‘zijn’ boek te staan, reproductie van een werk werd hem verboden. Daardoor is te verklaren waarom een aantal kunstenaars wél en een aantal kunstenaars niet in het boek vermeld staan (of waarom van sommigen er enkel een biografische nota opgenomen is). Seuphor zag blijkbaar geen bezwaren en deed wat Naessens hem opdroeg.

Na de brievenactie werd ook een tegenexpositie opgezet, het thema van de dissidenten was ‘De verzamelaar in de hedendaagse Belgische schilderkunst’ en Raveel maakte voor deze gelegenheid het werk ‘De slechte collectioneur’: een hoofd met daarin een spiegel. Het schilderij werd daardoor een ‘publieksbeschimping’, want het ging nu niet meer om Maurits Naessens alleen maar om iedereen die in de spiegel keek. Het werk, dat zich in een privé-collectie bevindt, is geen topwerk: te weinig bedachtzaam, nogal slordig, te weinig geïntegreerd.

Katrien Jacobs besluit: ‘De actie tegen Naessens is een duidelijk bewijs van het feit dat de schilder uit Machelen-aan-de-Leie en de kosmopolitische dubbelkunstenaar ([d.i. Hugo Claus] niet wilden buigen voor de wetten van het artistieke ‘circus’, maar, gesteund door elkaar en andere geestverwanten, hun eigen weg wilden blijven bewandelen en handkussen wilden blijven geven op hun manier.’ (p. 28). Dit is nogal romantisch.

Want deze hele historie heeft niet belet dat Raveel op zeker moment de schilder van de socialisten was (Felix De Boeck die van de katholieken) en dat hij heel wat schilderijen en installaties via de socialistische partij heeft uitgevoerd.

Het gedicht van Claus, ‘Een collectioneur’, kan op deze historie teruggebracht worden: hoe de kunstenaar als een belegging gezien wordt; hoe de kunstideologie werkt (een leugen); hoe niet de kunst maar wat er rond speelt, het belangrijkste is. Hugo Claus maakt van de collectioneur een kleinburgerlijke boekhouder. Hij kwam thuis.

Advertenties