thomas bernhard und andere (22)

door johan_velter

Thomas Bernhard, Wittgensteins Neffe (1982). (Ik gebruik Suhrkamp, 1983, 3. Auflage)

De figuur die zijn erfenis weigert of verdeelt is een veel voorkomende in het oeuvre van Thomas Bernhard. De figuur is terug te voeren op zijn eigen grootvader die dat gedaan heeft en het zich later beklaagd heeft maar het is ook geënt op de Wittgenstein-geschiedenis waar zowel Ludwig als Paul het familiekapitaal verkwanseld heeft. Bernhard analyseert dit gedoe haarscherp als een romantische leugen: ‘[. ..] und wie sein Onkel Ludwig geglaubt hat, die sogenannten schmutzigen Millionen unter das reine Volk werfen zu müssen zur Errettung dieses reinen Volkes und seiner selbst.’ (43).

Al heeft Bernhard terecht geschreven dat nogal wat nontalenten met het werk van Wittgenstein op de loop gegaan zijn, dat belet hem niet om dat oeuvre tot een hoogtepunt te rekenen: ‘[. ..] der eine [d.i. Ludwig] stellt absolut einen Höhepunkt der Philosophie und der Geistesgeschichte dar, der andere [d.i. Paul W.] absolut einen Höhepunkt in der Geschichte der Verrücktheit, wenn wir die Philosophie als Philosophie und den Geist als Geist und die Verrücktheit als die bezeichnen wollen, als die sie bezeichnet werden: als perverse Geschichtsbegriffe.’ (45)

Ook in deze roman gaat het over kennis, epistemologie: wat weten we, wat is de status van de normaliteit, wat dat van het schrift (is het enkel omdat het gepubliceerd is dat iets waardevoller is dan wat niet gepubliceerd is?), hoe is de verhouding tussen kennis en leven, wat is de waarde van het geleefde, wat van het gedachte, wat zijn grenzen? Het zijn grote levensvragen, het is nadenken over moraal.

Ludwig is een groot filosoof omdat hij het denken tot het uiterste doordacht heeft en aan de grens op de stilte gestoten is.
Paul is een groot krankzinnige omdat hij zijn krankzinnigheid tot het uiterste doorleefd heeft en aan de grens op de dood gestoten is.
47. Ook al was Paul W. doodziek, nog heeft hij zes uur de Tristan doorstaan, het is onduidelijk in de schriftuur van Bernhard of hij nu gefloten of bravo geroepen heeft.
48. Bernhard bewonderde Karajan; Paul W. haatte Karajan.
57. Paul W. bezocht Bernhard in diens huis in Nathal. Dan luisterden ze, zwijgend, naar ‘iets van Mozart, van Strauss, van Beethoven’. Beiden genoten.
59-60: De gesprekken gingen over Webern, Schönberg, Satie, Tristan, Zauberflöte, Don Giovanni, de Entführung, de Rheinische door Schuricht gedirigeerd. (Dit laatste onverdraaglijke muziek.) De eerste namen zijn misschien verrassend voor sommigen maar vanaf het begin van zijn carrière is het werk van Bernhard verbonden geweest met modernistische muziek. De muziekklassieken kunnen dus uitgebreid worden tot het begin van de 20ste eeuw. Voor de literatuur is dat minder het geval.
63. De paradox: Paul W. was de man die de Haffnersymphonie aan Bernhard heeft uitgelegd, die de strijkkwartetten van Beethoven op de meest intelligente manier kon analyseren en tegelijkertijd was dit genie ook de grootste onnozelaar want hij hield van autoracen. De autosport in de eerste helft van zijn  leven, de muziek in de tweede helft van zijn leven en in die tweede helft beschouwde Paul W. de autosport ‘tatsächlich ja auch als Stumpfsinn’. Bernhard daarentegen heeft de autosport altijd en terecht als een moorddadige, stompzinnige activiteit beschouwd. Nee, er is natuurlijk géén verband – zoals de nieuwe directeur van het Poëziecentrum, Carl De Strycker, beweert, zijn vergelijking is feitelijk onjuist – met poëzie, met literatuur, met humaniteit.

Advertenties