victor servranckx

door johan_velter

In Mu.Zee, het museum dat een naam draagt die louter om reclametechnische redenen lijkt uitgevonden te zijn:  een tentoonstelling met vroeg werk van Victor Servranckx, ‘De jaren twintig’. De samensteller van de catalogus blaast nogal hoog van de toren, alsof wat hier te zien is nieuw zou zijn. Dat is het niet. Eric Pil had dit al eerder vastgelegd (‘Victor Servranckx 1897-1965 en de abstracte kunst’, 1989). De teksten in de catalogus van Mu.zee zijn zodanig verward en nietszeggend, wat willen de auteurs nu betogen?, dat een lezer beter naar oude teksten teruggrijpt. De zogenaamde artikelen van specialisten zijn een gekend zeer in de Vlaamse museumwereld: men heeft niets te zeggen, men draait rond de pot, er  wordt nauwelijks onderzoek gedaan, de kunst zelf wordt niet langer bekeken en men gaat uit van een ideologisch kader.

Een typerende zin is: ‘Het idee van verlossing door gemeenschapskunst komt overigens niet alleen in Vlaanderen tot stand.’ Het uitgangspunt is de Vlaamse navel, na veel pijn zal men ook over de grenzen kijken. Een zelfde eng-nationalistische visie spreekt uit de volgende zin: ‘Dit gebeurt in een woelige periode die nog gebukt gaat onder de gevolgen van het activisme tijdens de Duitse bezetting, waarbij delen van de Vlaamse intelligentsia uit het publieke leven verdwenen.’ ‘Gebukt gaan’, net alsof men een martelaar zou zijn. En waarom moeten collaboratie, verraad, geldzucht, domheid en arrogantie verbloemd worden?

Er is raar Nederlands:  ‘en brengt hij zijn inzichten via de inrichting van etalages naar buiten.’ Of ‘Victor Servranckx omarmt de mogelijkheden […]’. Andere talen worden verkeerd geciteerd: ‘among others things’ of ‘un example à suivre’.

Het boek is 2,5 cm dik, 234 blz. De tekst werd veel te ruim gezet waardoor ze praktisch onleesbaar is maar noodzakelijk was om enige inhoudvolume te suggereren. De organisatie van beeld en tekst is niet correct gedaan. Wanneer vanuit de tekst verwezen wordt naar een illustratie moet men terugbladeren; het is alsof de twee banden niet parallel naast elkaar lopen. Soms spreken de hoofdtekst en de bijtekst elkaar tegen:  zijn ‘Le bûcheron’ en ‘De boomhakkers’ hetzelfde werk of niet? Servranckx benoemde zijn werken met de objectiverende titel ‘Opus’, gevolgd door een nummer en een jaartal. Het moge duidelijk zijn dat de referenties op deze wijze correct moeten zijn. Op pagina 50 wordt gesproken over Opus 10-1921 en verwezen naar figuur 17 op de volgende pagina, daar heet het echter Opus 10-1922. Op het werk staat wel degelijk 1921 vermeld.

Het museum blijft een moeilijk gebouw. Ook deze tentoonstelling is opgebouwd met panelen, het is alsof je op een ‘foire’ rondloopt, de waarde of de rol van een muur is ongekend in de huidige museumwereld. Men wil fake, men toont fake, men verbergt.

Att682a8

Nochtans had dit werk perfect in het gebouw opgenomen kunnen worden. Het is niet alleen deze tentoonstelling. Vroeger, bij de vorige directeur, had je de indruk dat bij elk bezoek er meer en meer zalen toegevoegd werden. Nu is de omgekeerde beweging gaande: het is alsof het museum telkens weer meer gekrompen is. Er is een ‘Topstukken’-zaal, maar deze ruimte is donker, verlaten en weer worden de werken door panelen ontsierd. Er is geen enkele inventiviteit waardoor de werken niet tot hun recht kunnen komen. Dit getuigt van onverschilligheid, diepgaande haat tegen kunst. In deze zaal staat een toonbank niets te doen, terwijl overal elders men alle moeite doet om het oorspronkelijke gebouw aan het oog te onttrekken.

In het verlengde van de Servranckx-zaal is er een ruimte met ander abstract werk. Ook hier verveling troef, de werken hangen verkeerd waardoor ze geen ademruimte krijgen. De belichting is –? is er dan belichting? In de inkomhal, a.h.w. de erezaal, wordt een jonge kunstenaar geïntroduceerd ? zo maak je iemand kapot.

Het werk van Servranckx is echter van een absolute schoonheid.

Att682a9

De tentoonstellingsmakers willen een ‘volledige’ Servranckx tonen en dat lijkt terecht te zijn. Servranckx is niet alleen een schilder, maar ook een beeldhouwer geweest, hij heeft boekomslagen gemaakt, meubels ontworpen, huizen getekend en samengewerkt met anderen. Het werk dat Servranckx gemaakt heeft in en voor de behangpapierfabriek U.P.L. wordt gepresenteerd op eenzelfde niveau als het zelfstandige, artistieke werk. Nochtans heeft Servranckx precies het tegenovergestelde beweerd. Hij erkent dat de fabriek hem veel geleerd heeft, o.a. over het mengen van kleuren. Hij heeft er thema’s gevonden en de manier om zijn werken te nummeren. Maar hij beklemtoonde ook: ‘Ik was antidekoratief gezind en zat daar in volle sierkunst. [. ..] Maar mijn kunst zelf stond vreemd tegenover die aktiviteit, die voor mij een leugen was.’ (Ten huize van 5, p. 220). Servranckx haalt hier een interessante controverse aan (het museum heeft dit laten liggen), nl. in hoeverre abstracte kunst decoratief is. Servranckx en andere abstracte schilders hadden een hooggestemd ideaal voor ogen, de kunstenaar was een priester in dienst van de ‘gemeenschap’. De ideologie stond dikwijls haaks op het beeldende werk en de relatie tussen beide was op zijn minst gezegd nogal gezocht. In datzelfde interview uit 1961 zei Servranckx ook nog: ‘Wij zijn de primitieven der komende grote kunst, die eeuwen zal omvatten, misschien de laatste opflakkering van het blanke ras eer de gelen of de zwarten zullen komen kamperen in onze steden. [. ..] Ik heb verkozen als een heilige der kunst te blijven in mijn land, dat een woestijn voor mij is geweest. Mijn kunst kent geen vrijheid maar alleen gehoorzaamheid en  verbondenheid.’ (o.c., p. 222)

Het museum heeft de kans laten liggen om de woorden van de schilder op zijn eigen werk toe te passen. Maar ook zijn wandelen tussen abstracte kunst en surrealisme heeft de tentoonstelling of de catalogus niet helder kunnen/willen maken. Nochtans is dit 1 van de belangrijkste overgangen geweest in de kunst van de 20ste eeuw: het gaat over de afwisseling van het abstracte naar het concrete, van het ideële naar het materiële, van het algemene naar de figuratie (en telkens ook omgekeerd). Het gaat m.n. over de moderniteit: in hoeverre het huidige formalisme in de kunst, maar evenzeer in de rechtspraak, de cultuur, het onderwijs, de politiek, al dan niet het alleenzaligmakende criterium voor de moderniteit is.

Hier hebben we dus de paradox: een tentoonstelling die op alle vlakken onder de maat presteert. Het falen wordt echter volledig aan het oog onttrokken door de kwaliteit van het werk van Servranckx zelf. Dit is de kracht van de kunstenaar. Zijn overleven.

Advertenties