picasso klassiek

door johan_velter

De vraag of Picasso de klassieke wereld pasticheerde of parodieerde, lijkt onzinnig maar toch stelt Christopher Green die in alle ernst (Modern antiquity: Picasso, De Chirico, Léger, Picabia. Getty Publications, 2011).

Iemand die zo veel keer de vormen van de Oudheid trachtte te onderzoeken, die op zoek was naar een nieuw evenwicht, een nieuwe gouden tijd (of is dit een achterafredenering?) en keer op keer niet alleen de vormen maar ook de klassieke thema’s herontdekte en steeds weer in nieuwe variaties onderbracht, kon moeilijk die cultuur kapot willen maken of denigrerend willen behandelen. Die vraag wordt toch ook nooit gesteld als het om de Afrikaanse vormen gaat? Daar wordt steeds gezegd dat Picasso (en zoveel anderen) door de abstractie, de vereenvoudiging en intensiteit gefascineerd was, niet dat hij die vormen als een iconoclast wilde gebruiken.

Maar Picasso was geen slaafse navolger, hij moest breken om op te bouwen; hij stal en loog om ons beter te doen kijken. Vroeger waren heiligen interessant, vanaf de negentiende eeuw zijn de marginaal, de breker en de ontheiligde de idolen.

Soms tekende Picasso gevechten, soms een intiem moment tussen man of vrouw, soms een stierengevecht en toch: hoe weinig beweging, hoe weinig Rubens. De wereld lijkt stil te zijn, alles bewegingloos, zelfs de bewegingen zijn verstard in een momentopname.  Het is de blik van een voyeur die het moment wil vatten, de beweging wil stopzetten, de blik bevriezen en opgezogen wil worden in het geobserveerde object. De blik is macht; hij die kijkt, beheerst de situatie zonder zelf te moeten of kunnen deelnemen.

Dit is het klassieke. De beweging is de barbarij. Het lawaai, het teken van de ongeciviliseerde.

Het giganteske bij Picasso doet denken aan Rabelais, ook hij geen beeldenstormer maar een humanistisch intellectueel. De reuzinnen van Picasso zijn standbeelden die op het eendimensionale doek geplaatst worden: de daardoor verkregen ambivalentie maakt deze werken zo mysterieus. Omdat hij zijn figuren een schilderkunstige dimensie geeft (dus geen illusoire) speelt hij ook met het perspectief, het renaissancistisch erfgoed. Dan gebeurt het dat het onderlichaam dichter bij ons komt te staan dan het bovenlichaam en dat de hoek van waaruit geobserveerd wordt, ook verschillend is. We kijken naar die figuren (en we blijven kijken) zoals we niet naar een levend lichaam mogen kijken (en toch blijven kijken). We vragen ons af of dit nu schoonheid is, een klassieke norm mag genoemd worden. En daar heeft Pablo Picasso ons vast.

De blik mag machtig zijn, de vrouwelijke vormen zijn het ook. Maar nooit is Fellini in de buurt. Bij de Italiaanse filmmaker zitten we snel in het circuswezen, de freaks, de vulgariteit. Bij Picasso is dat er nooit: de man heeft smaak en standing. Ook zijn erotische prenten – hoe weinig verhullend ze ook zijn – zijn nooit platvloers maar een getuigenis van lust, eros, drang, geweld en verzoening, het geslacht is geen curiositeit maar een feit.

‘De beeldhouwer en zijn beeld’ (1933, Staatliche Museen Berlin) is een intrigerend werk. Weer is er de zee als achtergrond. Deze is echter géén achtergrond in de zin van een schilderkunstige werkelijkheid maar is de idee van weidsheid, vrijheid -én a-culturaliteit. De zee is een tijdloos gegeven: de klassiekheid zelf.

Attee07f


Zie de kunstenaar, wat een gelukzaligheid is dit vergeleken met ‘De denker’ van Rodin, of de prent ‘Melancholia’ van Dürer. Er is rust, er is tevredenheid, ja, zelfs geluk. Tegelijkertijd is dit het beeld van een gevangenis: de kijker zit in zijn eigen blik gevangen. Zijn arm steunt op een klassiek hoofd, het is alsof hij de redelijkheid naast zich geplaatst heeft. De kruising van de benen is meer dan eigenaardig: niet alleen is dit fysiek onmogelijk, ook het perspectief is ‘verkeerd’ (zie de rechterarm van de kunstenaar)  en het linker onderbeen van de man is in een andere kleur geschilderd en staat bijna los van de rest van het lichaam. Pablo Picasso laat het geschilderd-zijn zien, de onderkleur wordt bewaard en geaccentueerd. Het klassieke is het afgewerkte, het fragment het moderne  –  Picasso neemt de beide elementen in zijn schilderij op. Het is het tonen van een maakproces en dus een reflectie over het kunstenaarschap en het mens-zijn en tegelijkertijd een tonen van de constante in de menselijke cultuurgeschiedenis.

Picasso doet twee zaken – alweer tegelijkertijd-, hij representeert de werkelijkheid en hij toont die werkelijkheid als verbeelding, kunst. Om het kunstzinnige te tonen, moet hij het beeld van de werkelijkheid afbreken, deformeren, verminken. Hij lokt ons in het sprookje, hij legt ons uit wat hij doet en hoe hij het doet en we zijn gelukkig door hem geleid te worden. Hij verleidt ons en hij zegt dat hij ons verleidt. Hij is de ware verleider.

En dan bedenk je dat de blik niet enkel vastlegt maar ook leven geeft. Het beeld op het schilderij is geënt op een Hera-beeld uit de Farnese-collectie maar is tegelijkertijd ook het profiel van zijn toen nog geheime vriendin Marie-Thérèse Walter. De kunstenaar zal de vrouw en dus ook de liefde het leven inblazen, inkijken: onder zijn blik wordt zij een levend wezen.

Zo zou de kunstenaar moeten zijn. Hij maakt levend.

Advertenties