thomas bernhard und andere (5)

door johan_velter


Verstörung, 1967.


De vader neemt zijn zoon op ziekenbezoek mee. Overal dood en verderf. De zoon observeert, een voor Bernhard typische houding: zijn figuren geven commentaar. Een dokter is een man van de wetenschap. Thomas Bernhard heeft een ambivalente houding tegenover de wetenschap. Enerzijds streven zijn figuren een wetenschappelijke houding na, anderzijds is er de grootste argwaan tegenover de pretenties van de wetenschap. Wat is kennis waard tegenover de dood? Maar vooral wat is kennis, wat is schijnweten? De geneeskunde staat als het leven in oppositie met de dood.

Het platteland is brutaler dan de stad: de anti-idylle, de anti-romantiek

P. 26. “Mein Vater sagte, daβ er sich auf Diderots Mystifikation freue, auf die kleine spät entdeckte Schrift, die ihm Bloch empfohlen habe. Er wende sich jetzt mehr und mehr den französischen Schriftstellern zu und von den deutschen ab. Im Grunde aber habe er nie ein echtes Bedürfnis nach einer unwissenschaftlichen, nach der poetischen Literatur gehabt, und diese seine Eigenschaft verstärkte sich offensichtlich. Für die sogenannte Schone Literatur sei er in dem Grade, in welchem er sich Klarheit und Folgerichtigkeit verschaffen könne, immer weniger aufgeschlossen, er schaue sie als eine in jedem Fall peinliche, ja in groβen Zügen lächerliche Verfälschung der Natur an. Die Schriftsteller beschmutzen die Natur mit ihren Schriften immer, mehr oder weniger dilettantisch, […].” Literatuur staat tegenover wetenschap. De Franse schrijvers staan dichter bij het leven, beoefenen minder de schoonschrijverij. De anekdote ‘Mystifikation’ van Diderot is een uit het leven gegrepen verhaal, waarschijnlijk ooit bedoeld om in een briefwisseling (die aan Sophie?) opgenomen te worden.

P. 28. “die Prinzessin von Cleve”: wordt gelezen door de ik, bij een patiënte. Men gaat er nog altijd van uit dat deze roman door Madame de La Fayette geschreven is (1678). Ook deze roman is gebaseerd op de werkelijkheid, het hof van Henri II, een verhaal van liefde tegenover plicht. Is dit werk enkel beroemd of behoort het tot de wereldcanon

P. 41. “Sich zu beherrschen sei das Vergnügen, sich vom Gehirn aus zu einem Mechanismus zu machen, dem man befehlen kann und der gehorcht. […] Wo der Verstand herrsche, sei die Verzweiflung unmöglich, sagte ich.’ […] Aber der Verstand, den ich meine’, sagte ich, ‘ist ein vollkommen unwissenschaftlicher.” Zo’n zin kan in stelling gebracht worden tegen Jean-Jacques Rousseau. Dit is een anti-Rousseauzin en maakt de referenties van Bernhard extra moeilijk. Hoe kan Rousseau ingepast worden in zijn respect voor de andere Verlichtingsauteurs? Wat is wetenschappelijk volgens Bernhard?

P. 45. De vorst spreekt: ‘Weite Spaziergänge, immer tiefer in die Wälder hinein, in die unabsehbare ‘immergrüne metaphysische Mathematik’, so seine Bezeichnung der Wälder um Hauenstein, genügten, um seine Muskeln nicht erschlaffen zu lassen. Er sei ein Feind des Spaziergangs, er ginge nur spazieren, um nicht ‘körperlich zugrunde’ zu gehn.” Heidegger en Rousseau tegenover de louter lichamelijke oefening van het wandelen.

P. 45. “Man merke an dem Industriellen gleich, daβ er selten spricht und daβ, was er spricht, nichts anderes, als das Abwehren einer ihm grauenhaften Irritation ist.” Dit uitleggen zal Bernhard later verlaten. Hij zal geen verklaringen meer van buiten het personage geven maar het personage zichzelf laten tonen in zijn taal. Hij geeft dan nauwelijks nog een verklaring en zeker geen psychologie. Het uitspreken van standpunten zal voldoende zijn, het verklaren verlaten. Er is geen oorzaak, er is geen kennis, enkel beschrijven. Dit is de keer van de metafysica naar de empirie. Dit geldt ook voor het refereren: de naam zegt genoeg.

P. 49. Over vooruitgang en dus wetenschap, over de paradox van de 18de eeuw: 3Wenn ich auch alles, was ich bis jetzt geschrieben habe, vernichtet habe’, sagte er, ‘habe ich doch die gröβten Fortschritte gemacht.” Bernhard staat met de vernietigingsidee midden in de 20ste eeuw.

P. 51. “Während des Essens sprach mein Vater wieder liebevoll von dem Kind in Höllberg, dann von Bloch. ‘Alle sind schwierig’, sagte er. Er machte die Arzttasche auf und sah, daβ er die Bücher, die er von Bloch ausgeliehen hat, den Diderot, den Nietzsche, den Pascal, vergessen hat.3

P. 52. “Im Gesicht des sterbenden Lehrers habe mein Vater deutlich die Anklage eines Menschen gegen eine Welt gesehen, die ihn nicht hat verstehen wollen.3 Wat men ook zegt, doet of schrijft: het niet begrijpen is de essentie. In ‘Verstörung’ komt dit telkens weer terug: de vader verstaat zijn kinderen niet; de kinderen begrijpen hun vader niet; de patiënten begrijpen de dokter niet; de dokter verstaat zijn patiënten niet. Wie begrijpt zichzelf? Dit is het wetenschappelijk project van Bernhard: zichzelf kennen, juist kennen is wetenschap. Naast de exacte en de humane wetenschappen bouwt Bernhard een andere wetenschap op: die van de zelfkennis … maar zonder psychologie. Het is het begrijpen van de dood, het aanvaarden van het leven. Het is een stoïsch project: leven als op een horizon.

P. 53. “Die meisten Ärzte treiben auch heute noch keine Ursachenforschung’, sagte mein Vater, ‘gehen ganz auf in den primitivsten Behandlungsschemata.” De geneeskunde is overgeleverd aan de volstrekte willekeur van de gevoelloosheid, het is een pseudowetenschap. Maar dit is ook een aanduiding van het wetenschappelijke denken van Bernhard: alles heeft een oorzaak. Het eerste deel van zijn autobiografie heet ‘Die Ursache: eine Andeutung’ (1977). Dit is een deterministisch denken: oorzaak-gevolg; buiten-wereldlijke verklaringen zijn niet aan de orde.

P. 58: het antiracisme van T.B.: (de dokterszoon ziet:) hij beschrijft hoe autochtonen een Turkse jongen behandelen: de visie van T.B.: je moet alles en dus ook de mensen in relatie zien om de waarheid te kunnen achterhalen, je moet hen bezig zien met anderen om te weten wie ze zijn: “Wie ich auch jede Sache in Zusammenhang mit allen möglichen anschaue, anschauen muβ.” Ook dit is een onderdeel van zijn wetenschappelijk denken en een consequentie van het zoeken naar oorzaken. De context bepaalt de waarheid.

P. 58. “Wahrscheinlich ist aber alles, was ich denke, ganz anders als ich es denke, dachte ich, [ … ]”. Een metafysische, kantiaanse zin.

P. 65. “Es ist schön, weil es wahr ist’, sagte mein Vater.” Een verwijzing naar de klassieke cultuur: waarheid, schoonheid, [goedheid] zijn 1 geheel. Ook Bernhard ziet de wereld als verbrokkeld maar toch hangt alles aan elkaar, niets is toevallig. Een detail is geen detail.

P. 66. “Aber als ich ‘freiwillig’ gesagt hatte, dachte ich, daβ kein Mensch auch nur irgend etwas freiwillig tut, der freie Wille des Menschen sei ein Unsinn, […]?. Als alles een oorzaak heeft, dan is er geen vrije wil. Spinoza, Diderot, materialisme, mechanisme.

P. 81. “Ich stelle mir die katastophalsten Familiarkonstruktionen , alles mit ihm in Beziehung, vor.” Later zal Bernhard zeggen ‘het is zo’, niet ‘ik stel me voor’.

P. 87. “[…] Diesem Menschen gegenüber habe ich keine Rücksicht zu nehmen, habe ich einen, den entscheidenden Moment lang gedacht, es nützt ihm nichts, es nützt ihm nichts usf . .. Warum? Lieber Doktor, immer wieder verfalle ich solchen absolut unsinnigen Fragen?, sagte der Fürst, ‘die auf eine Erklärung, die auf Aufklärung hinauswollen. Aber es gibt nichts zu erklären, es gibt nichts aufzuklären.? Deze tweespalt, dit broederpaar ook, zal nog in het werk van Bernhard voorkomen.

P. 90. De vorst spreekt over zijn jeugd en dat staat hem tegen: dit alles is hem te klassiek, te net, te burgerlijk, te braaf. “Da öffnet sich die Tür in eine Bibliothek, in der zweitausend Bände verkehrter Geschichte aneinandergereiht sind, von Descartes, Pascal, Schopenhauer, bis zu den Schlernschriften.”

Dit laatste is een verzameling geschriften over Zuid-Tirol, in 1923 begonnen. Het contrasteert met de drie genoemde filosofen maar duidt aan hoe het werk van Bernhard in het landschap gegrond is.

Bij Thomas Bernhard lezen alle figuren dezelfde boeken. ‘Der Fürst’ is dan ook een Thomas Bernhard-figuur.

P. 96-97: Het filosofisch en politiek anarchisme van Bernhard.  De staat moet zichzelf onteigenen: “Es ist Zeit, daβ sich dieser Staat bald selber enteignet, sagte der Fürst. ‘Dieser lächerliche Staat, sagte ich. [. ..]” (97) Tegen de staat maar dus ook tegen de staatsdienaars: communisten, nationalisten, katholieken, republikeinen, monarchisten. “Der Staat ist morsch.” (97)

Bernhard begint een eigen taal op te bouwen, zoals hij de zinnen op elkaar stapelt, zo stapelt hij ook woorden: “Mir fällt das Wort Intellektualkatastrophe ein, [. ..]? (101)

Het tweede deel (waarin we nu al een tijd zitten, nl. vanaf p. 78) is getiteld ‘Der Fürst’. Ook hij schrijft een studie, over het gehoor. Natuurlijk zal ook hij deze studie nooit afmaken. De studie is slechts een afleidingsmanoeuvre, een manier om in het leven te staan (en om zijn vrouw en zichzelf te kwellen.)

P. 113: “Klarheit schaffen”.  De ‘Aufklärung’ van Thomas Bernhard is het heldere, wetenschappelijke denken,  geen duisternis, geen metafysica. Maar vooral zich niet laten leiden door sentimentaliteit, omhullende uitspraken. De paradox is (en daardoor is hij dikwijls misbegrepen) dat zijn conclusie luidt dat alles duister is.

Wat Bernhard zegt is dat juist denken de dood denken is. Alles gaat dood en in dat licht moet er geleefd en gedacht worden.

Advertisements