thomas bernhard und andere (2)

door johan_velter

‘In der Höhe: Rettungsversuch, Unsinn’, Residenz, 1989. Verscheen wel in 1989 maar was in 1959 al geschreven.

De Duitse uitgave vermeldt niet het sterfjaar van Thomas Bernhard: 1 maand voor zijn overlijden gaf de schrijver toestemming om deze eersteling te publiceren. Bernhard heeft deze boekuitgave nooit in handen gehad. ‘In der Höhe’ werd in het Nederlands vertaald door Gerrit Bussink (de Prom, 1991).

Had hij dit maar eerder gepubliceerd, denk je steeds weer, zijn belang zou nog groter geweest zijn. De roman is een opeenvolging van losse stukken, standpunten, observaties, voorvallen. Ook al is de roman opgebouwd uit fragmenten toch is er een ‘verhaal’: een ik en de wereld. Hier en daar hoor je al de oudere Bernhard, zie je zijn tics. De opsommingen verschijnen al, later zal dit procedé verfijnd en vervolmaakt worden. (Terwijl je niet weet of en in hoeverre Bernhard dit manuscript bewerkt heeft.)

Vanaf zijn eerste boek werkt hij de oppositie tussen individu en massa uit. Dit moet in zijn tijd begrepen worden. De Tweede Wereldoorlog is voor de Duitstaligen de oorlog van de nederlaag geworden, niet alleen militair maar ook moreel en menselijk. De overwinning van de geallieerden toonde het morele gelijk aan van het westers kapitalisme, zoals het toen bestond, en van de liberale democratie. In West-Europa had de dictatuur daarmee afgedaan. (Maar in Spanje, Portugal en Griekenland bleef ze nog enkele decennia etteren en komt nu in onze contreien terug.)

In het niet-Duitstalige gebied leidde die overwinning echter niet tot een overwinningsroes: de nieuwe problemen van de wederopbouw waren immens, het kolonialisme werd in vraag gesteld, een kernoorlog dreigde, het communisme leek het te halen, de vijfde colonne was een feit.

Zowel bij de overwinnaars als bij de verliezers was de morele ontnuchtering en menselijke ontreddering groot: wat had ‘de mens’ in de oorlog gedaan? Hoe kon de cultuur zo zwak zijn? Hoe kon de beschaving zo gemakkelijk breken? De vraag naar de mens stond centraal. In de Duitstalige wereld kwam het oeuvre van Heinrich Böll in het brandpunt te staan: wat is de mens? Of beter: wat is een fatsoenlijke mens?

Thomas Bernhard heeft vanaf zijn eerste werk met dit discours gebroken. Vandaar de grote schok. Tegen de heropbouw plaatste hij de ontnuchtering die moest blijven, de leegte mocht nooit meer opgevuld worden met nationalistische onzin, met bombastwoorden, met de leugen.

De mens is niets; links en rechts zijn holle begrippen; de macht is er op uit om het individu te verknechten ; niemand is te vertrouwen, met uitzondering van hier en daar een ‘Lebensmensch’; deze wereld vernietigt de cultuur. Het zogenaamde nieuwe begin bleek dan toch de voortzetting van het oude te zijn. Het gelijk van Bernhard tegen de heersende ideologie. Een luis.

Over de hond van het personage: ‘er macht alles dreckig, sein furchtbarer Gestank aber erzeugt die Anfänge großer Gedanken: Puchkin, Alexander, Flaubert,’ (p. 7)

De tweede naam levert een probleem op. Wie is Alexander? Alexander Poesjkin? Is dit een mankement van transcriptie? De auteurs staan als symbool voor grote gedachten, terwijl dit van Flaubert niet zo is en Poesjkin van een andere orde is. Oorzaak-gevolgdenken is hier ontluisterend: stront leidt naar Poesjkin en Flaubert. Opvallend is dat Bernhard bijna nooit de voornamen van de schrijvers opneemt: op die manier ontneemt hij hen hun individualiteit en is het een verwijzing naar een oeuvre, niet zozeer naar een mens.

De ik-figuur: ‘der Gedanke von Kant: etwas über Herbstfarben, man möchte es sofort ausspucken,’ (p. 9) Welke gedachte is dit? Waar te vinden? Wat heeft Kant met herfstkleuren? Wat doet deze verwijzing hier? ‘nun ja, er gehe ins Theater, hin und wieder, selten, in Shakespearestücke, in Kleiststücke, in Büchnerstü[c]ke, auch wenn ein Molière gespielt werde, aber man spielt fast nur lächerliche Unsinn auf unserer Staatsbühne,’ (p. 18)

Vier namen: Shakespeare, Kleist, Büchner en Molière. Vier gecanoniseerde schrijvers maar ook vier keer een totaal ander oeuvre. Net zoals voor elke cultuurmens geen grenzen: Engels, Duits en Frans.

Als we zouden denken dat Thomas Bernhard toevallig wat namen bij elkaar plaatst, dan waarschuwt hij ons voor dit misdenken: ‘aber an diese paar Gedanken klammere ich mich und um jeden Buchstaben geht es, es geht um jeden Buchstaben und um das Erkennen des Stumpfsinns,’ (p. 23)

Op p. 46 staat tussen aanhalingstekens: ‘«. .. zeigte mich ihren Eingeweiden gewachsen, redete nichts von Fuga, Friedrich II., Aragon, trank ausgiebig aus dem unbeschauten Brunnen»,’ (‘”. .. toonde mij tegen hun ingewanden opgewassen, sprak niet over fuga, Friedrich II, Aragon, dronk uitgebreid uit de niet ?gekeurde bron’,”, Nederlandse vertaling, p. 43). Dit fragment lijkt over Bach en zijn ‘Musikalisches Opfer’ te gaan. Aragon? ‘die viel zu dünn gedrechselten Frauenbeine, die dich umklammern: Hände, Hirne, Handtaschen: die falschen Übersetzungen großer Einfälle in die Mittelmäßigkeit: die Bemerkungen kleiner Zeitungsschreiber über Dante und Edgar Allan Poe: verfluchte Onanie!,’ (p. 54-55). Bernhard stelt hier de middelmatigheid tegenover de grote cultuurvoorbeelden. Ook hier twee eenheden die tegenover gesteld zijn. Poe en Dante zijn wel klinkende namen maar hebben een totaal ander oeuvre nagelaten.

P. 61 :’daß jeder Mensch auf jeden Fall versagt hat,’ is uiteraard een Bernhard-zin maar verwijst voor ons nu ook naar Samuel Beckett.

P. 71: ‘vor allem aber liebe er die Literatur: er nannte sogar den Namen eines Schriftstellers, den er verehrt: Pascal !’ en even verder in hetzelfde fragment: ‘er lehrt, aus wieviel Sätzen eine Sinfonie zusammengesetzt ist, was ein Kontrapunkt ist, vor allem aber, was ein Libretto ist und was, seiner Meinung nach, Dichter sind, Schriftsteller, brauchbare, lesbare Bücher: Die Brüder Karamasow, sagt er, Anna Karenina,’ (p. 71). Voor Bernhard is cultuur een oord van studie, kennisverwerving, geen aanleiding voor een sentimentalistisch leesclubje. Het gaat om structuur, analyse, inzicht, dus om wetenschap. ‘Bruikbare’, ‘leesbare’ boeken duidt op een ander facet: cultuur behoort tot de levenskunst, leren te leven (dus te sterven). Nu verwijst Bernhard naar twee Russische schrijvers, Dostojevski en Tolstoj. Van deze laatste zou men eerder ‘Oorlog en vrede’ vermeld willen zien.

Hier zien we ook dat het schrijven van Bernhard niet altijd autobiografisch is. In ‘Der Keller’ zal hij betogen dat het juist de muziek is die hem levenslang verblijd heeft.

In het fragment wordt de naam Pascal met een uitroepteken verblijd. Er wordt geen argumentatie gegeven waarom Pascal vreugde is.

P. 84: ‘hinter den Fenstern: Vergil, Dante, Byron: deine Begriffe sind unzulänglich: was für Grabmäler?, was für ein bedeutender Satz ist das: «der Spiritus vitae ist ein Geist, der da liegt in allen Gliedern des Leibs, wie sie dann genannt werden: und ist in allen gleich der eine Geist, die eine Kraft, in einem wie in dem andern:  und ist das höchste Korn des Lebens, aus dem alle Glieder leben»,’ De zin die hier geciteerd wordt is van Paracelsus (16de eeuw), een esoterisch-metafysisch oeuvre en daarmee een ‘Fremdkörper’ in het oeuvre. De stijl van dit fragment doet denken aan Beckett, aan Joyce. (De Heidis, de Grieten, de Chantalles van deze wereld hebben Bernhard gereduceerd tot een schelder, een roeper, een luidruchtige ruziezoeker. Dit is onjuist: Bernhard staat in de kern van het modernisme, hij is een intellectueel schrijver.)

P. 100: ‘Bach sei der Größte, sagt sie, / Mozart, sage ich, / Bach, Mozart, Bach, Mozart: Bach !, das Bachzeitalter, sage ich, das Bachzeitalter hat alle erfaßt: Mozart ist es, Mozart, sie schenkt mir zum zwölftenmal ein,’. Nog meer zullen we deze oppositie meemaken: Bach tegenover Mozart. Op het eerste gezicht verwacht je bij een zogenaamde nihilist als Bernhard is een voorliefde voor Bach, diens tranendal, diens eindeloos gejammer, diens verdoemdheidsgevoel. Maar nee, Bernhard verkiest de lichtvoetigheid van Mozart, zijn speelsheid, zijn nadering tot de moderne tijd. Het is de oppositie tussen godsgeloof en aardsheid. Toch geeft Bernhard ook hier geen argumentatie, het is de lezer die moet invullen, moet begrijpen wat de auteur bedoelt. Het heeft ook te maken met constructie: de taal, deze taal, verdraagt geen intellectueel discours, de laagheid van het argumenteren.

P. 107: ‘mein erhitzter, stumpfsinniger, eiskalter Kopf, der in die Orgelmusik der Franziskanerkirche hineingestoßen wird: Pergolesi: Stabat mater,’ Als we dit fragment juist lezen, vermoeden we dat Bernhard de weldadige verkoeling door de muziek van Pergolesi bedoelt.

P. 122: ‘Vorlesen von Shakespearebrocken, Dantebrocken, [. ..]’ Niet de oeuvres, wel de fragmenten, het aanvaarden van de cultuur, het menszijn.

Los van het cultureel netwerk staat op p. 118 1 van die diepere, schijnbaar achteloos geplaatste, zinnen: ‘die Seele, sagt das Fräulein, was ist sie?, / was in einem Menschen vorgeht ohne jeden Zusammenhang,’)

Poesjkin, Alexander, Flaubert, Kant, Shakespeare, Kleist, Büchner, Molière, [Bach], Dante, Edgar Allan Poe, Pascal, Dostojevski (De gebroeders Karamazov), Tolstoj (Anna Karenina), Vergilius, Dante, Byron, Paracelsus, Bach, Mozart, Pergolesi (Stabat mater), Shakespeare, Dante.

Advertisements