jan lauwereyns – brain and the gaze (2)

door johan_velter

Jl_lijnen


In de ‘Coda’ (en we willen er hier nog op wijzen dat dit een artistiek-muzikale term is) van zijn boek ‘Brain and the Gaze: on the Active Boundaries of Vision’ (The Mit Press, 2012) gaat Jan Lauwereyns verder in zijn exploratie van het ‘plus’.

In de natuur bestaan geen lijnen, onze geest (het netwerk van neurale circuits) veronderstelt lijnen: we zoeken punten en verbinden die met elkaar. Het is onze verbeelding die de lijn expliciet maakt en dus een wereld creëert. Het is de waarneming die de wereld ‘maakt’ en ‘maakt’ betekent hier geconstrueerd. Natuurlijk bestaat de wereld zonder de menselijke waarneming maar er gebeurt iets nieuws: zien is creëren. Samen met het oog construeert de verbeelding een wereld in en op de wereld. Cultuur vergroot de wereld (consumptie verkleint de wereld). De creatie is betekenis, het louter formalisme bestaat niet.

Nieuwe betekenis bestaat nooit in een oude vorm. Het zijn de vormen die het nieuwe zijn. De wetenschappelijke aanpak van Jan Lauwereyns is een interdisciplinaire: alles kan gebruikt worden maar het gebruik is niet willekeurig, de verbanden niet lukraak. Zijn stijl is soms dat van een hobbelpaard dat door het bos Wallers-Arenberg getrokken wordt, de berijder krijgt hoofdpijn, is gedesoriënteerd, wil zich keren – maar tegen wat – Deze vorm is nochtans essentieel: er is vaart, er is dynamiek. Plots beseffen we wat Lucretius bedoelde met zijn atomen en de constante beweging. Zo was ook de stijl van Diderot: een activistisch materialisme – en ook daar was de stijl noodzakelijk om de nieuwe inhoud te kunnen overbrengen. Jan Lauwereyns schrijft een pleidooi voor de monografie: in zijn manier van wetenschap bedrijven is een boek noodzakelijk; het tijdschriftartikel kan nooit die breedheid van visie verwerken.

‘Borrowing ideas’, het lenen van andermans ideeën, het kopiëren van elementen uit de natuur zijn essentiële bouwstenen voor de verbeelding. Lauwereyns houdt een pleidooi voor het creatief gebruik van heterogene elementen en zet daarmee het Westers ideeëngoed i.v.m. het copyright op zijn plaats als verouderd en contraproductief.

Dit betekent dat het werkveld, het cultureel veld van Lauwereyns ook verder reikt dan de eigen landsgrenzen, of de eigen taalgrenzen, of de eigen gevoeligheden. Er zijn geen grenzen meer – en paradox: het pleidooi voor de lijn, de grens, geldt niet overal -, de cultuur is internationaal. Dit heeft als gevolg dat er geen eenheidswetenschap meer kan bestaan (dat er geen eenheidscultuur meer bestaat is al langer geweten) en we komen weer een stap dichter bij het werk van Isaiah Berlin.

Het wetenschappelijk discours van Jan Lauwereyns is een niet louter rationeel verhaal. De toevalligheden, de vondsten, het onverwachte vinden, het browsen behoren tot de levenspraktijk. De verbeelding staat niet meer tegenover de rationaliteit maar wordt als een volwaardig element in de wetenschap opgenomen. Dit is dan een gelijkaardige bijdrage tot het denken als wat Martha Nussbaum deed voor de emoties – alhoewel haar voorbeelden uit de stoa veel minder geloofwaardig zijn.  En zie, Jean-Paul Van Bendegem pleit in zijn laatste boek ‘De vrolijke atheïst’ voor meer verbeelding in het denken.

De wetenschappelijke vorm wordt door Jan Lauwereyns in vraag gesteld en er komt een toenadering tot het creatieve proces van de literatuur. Maar ook dat is nog niet voldoende. Toen ik stukken las, moest ik soms denken aan het verrassende boek van Ursula Pia Jauch, ‘Jenseits der Maschine: Philosophie, Ironie und Ästhetik bei Julien Offray de la Mettrie’ (1998) dat ik onlangs las. De auteur had moeite om het denken van De la Mettrie te beheersen en ze koos voor dit doctoraat een manier die tussen fiction en non-fiction hing. Ze gebruikte dus romanelementen om de figuur beter te kunnen begrijpen, om de ironie te tonen. Het onderwerp werd in de vorm zichtbaar. En dan kan ze inderdaad met een verrassing komen: plots haalt ze Francis Picabia voor het voetlicht en toont hem als een De la Mettrie. Wat een vondst! (De ironie van de geschiedenis is dat Picabia ook met Diderot vergeleken werd.) Maar wat Lauwereyns doet, is nog iets anders dan Jauch: hij gebruikt bijvoorbeeld poëzie zonder een rangorde in te stellen. Er is dus geen ondergeschikte relatie, alles is evenwaardig én een element. Jauch deed vooral alsof, de werkwijze van Lauwereyns kan niet anders zijn omdat dit denken zo werkt. Jauch gebruikt een literaire vorm omdat ze geen meesterschap kan verwerven over haar onderwerp, bij Lauwereyns  zit het creatieve proces in het resultaat zelf dat geen opsomming is van de verworven inzichten maar methode, onderwerp en resultaat (dus het wetenschappelijke proces, de wetenschappelijke vorm en de wetenschap) bestaan samen. Het denken wordt hiermee ten volle recht gedaan: het is de weg zonder het einddoel te vergeten.

Advertisements