rudolf meerbergen (2)

door johan_velter

Rudolf Meerbergen behoorde tot de spraakmakende kunstenaars in de naoorlogse periode in België. Zijn roem is niet gebleven. Toch is en blijft het werk van Meerbergen intrigeren, niet zozeer door de pseudo-diepzinnige titels, de hang naar esoterie en de gewilde modieusheid. Wel door het getuigenis van het tijdsbeeld. Het gaat niet over de mens, zijn integriteit, zijn afkeer, zijn eenzaamheid maar over wat gebleven is. Juist, de oppervlakte dus, het canvas, de materie.

Zijn werk is zeer duidelijk in een tijd te situeren, ook dat is er de charme van.geen tijdloosheid maar bepaaldheid; geen alle overstijgend classicisme maar gebonden aan tijd en plaats.

Jos Joosten beschrijft in zijn standaardwerk ‘Feit en tussenkomst: geschiedenis en opvattingen van Tijd en mens, 1949-1955’ hoe Remy Van de Kerckhove een belangrijke rol speelde in het aantrekken van schilders, hoe hij het was die het plastisch uitzicht van ‘Tijd en mens’ bepaalde. Het was een tijd waarin beeld en woord niet opgesplitst was. Integendeel, de voorhoede in de muziek, de beeldende kunsten en de literatuur voerden 1 strijd tegen de burgerij (ook al was men zelf bijzonder burgerlijk) en voor nieuwe vormen.

Interessant is hoe hij een deelgeschiedenis beschrijft als een gevecht tussen Cobra en de anderen. In zekere zin (zie ook verder) kan men zeggen dat Cobra een achteruitgang was: te figuratief tegenover de meer vergeestelijkte kunst van de abstracten. Alechinsky kreeg het erg te verduren (maar Hugo Claus bleef hem verdedigen). Veel van wat toen gepubliceerd en gedacht werd avant-garde te zijn (hetzij door de kunstenaars zelf, hetzij door anderen) blijkt dat nu helemaal niet te zijn. Vaerten, Mara, Gilles zijn niet de grote kunstenaars en zijn het ook nooit geworden Integendeel, er trad een sentimentaliteit op die de kitscherigheid concurrentie aandeed. Maar ook Alechinsky behoorde niet tot de avant-garde: hij was en is aanvaardbaar modern.
(Joosten slaagt er echter niet in om een analyse van het werk van Meerbergen te maken: zijn boek blijft vooral een ‘biografisch’ verslag van de ruzies, de vriendschappen, de tribulaties. Het minst interessante dus.)

De discussie binnen de beeldende kunst was ook geïnspireerd door de vraag naar de tijd en de mens: men moest niet zozeer geëngageerd zijn, in de activistische zin, maar men moest toch minstens de tijd reflecteren. De woorden bij de schilderijen moesten de vorm legitimeren. Vandaar de mislukking: de vormen waren niet genoeg en de vormen werden van anderen overgenomen. Ze ageerden tegen de lokale schilderkunst (het animisme) maar hielden toch nog steeds traditionele normen in ere. De schilderkunst werd niet los gezien van het literaire, het maatschappelijke. Dat kon ook moeilijk anders omdat de kunsten gedomineerd werden door de angst, de onrust, het onbehagen in de cultuur. Deze angst werd door het existentialisme verwoord. De naoorlogse jaren waren geen vreugdevolle, de vrede werd als wankel ervaren. Het modernisme begon zich immers danig te roeren en alle verworvenheden van de 19de en begin twintigste eeuw zouden spoedig een explosie kennen. De breuk in de cultuur werd aangevoeld, niet adequaat verwoord. Want ook het werk van de filosofen was nog te zeer gedrenkt in de metafysische wereld van de dood. Als Albert Camus de zelfmoord het belangrijkste vraagstuk noemt, dan is dit een door en door godsdienstig motief. Als Sartre de vrijheid als een veroordeling beschrijft, dan is dit de religieuze visie van de geketende mens.

Vanaf het vierde nummer wordt de naam van Rudolf Meerbergen vermeld als redactielid. Een tekening van hem siert de omslag. Dit is 1950 en niets spectaculairs, een braaf beeldeke, door de hoed onnodig frivool. Men zou met wat goede wil hier de ronde Picasso-vormen kunnen beschrijven maar dit is onbelangrijk. Tekenend is dat het beeld de figuur niet wil verliezen, in zekere zin is dit tegenover het expressionisme een achteruitgang: te realistisch willen blijven maar tegelijkertijd van de tijd willen zijn. 1950 betekent dat er al dadaïsme geweest is, suprematisme, abstracte kunst, Picabia heeft al heel wat grenzen verlegd en ook de surrealisten hebben zich al geroerd. Van dit alles nauwelijks een spoor.
 

Att8677a

In het dubbelnummer 9-10 is de naam van Rudolf Meerbergen uit de redactie verdwenen.

Advertisements