voorbeelden van cultuurvernietiging_4

door johan_velter

Voorbeeld 4. Taal. De morele imperatief moet steeds van de sterke uitgaan. Dit betekent dat er een norm is en elke norm is gemaakt, een menselijke daad. Moraal wordt nog steeds gezien als een metafysica: iets van buitenaf. Moraal kan echter ook beschreven worden als het resultaat van een functioneren: wat best werkt, wordt als norm aanvaard en verdedigd. Zorg zorgt voor overleven, laten we zorg als het betere deel van de mens beschouwen. Moraal is dus verbonden met een bepaalde maatschappij, met een mens- en wereldvisie.

De wereld en de mens zijn maakbaar, zijn niet natuurlijk. Er wordt gedacht en gestreefd naar het betere. De Westerse cultuur heeft daarbij de sterkste norm ontwikkeld: het Sollen staat boven het Sein. Dat wat moet, heeft niet alleen in de cultuur, de kennis, het persoonlijk leven een grote rol gespeeld, maar heeft zich ook in de economie genesteld: de doelstelling is verlegd van een concreet, beter leven naar een abstract ontwikkelen van de markt. Groei heeft noch een basis noch een plafond.

Echter, kennis en cultuur staan onder druk. Deze druk komt enerzijds vanuit een interne ontwikkeling (zie vorige voorbeelden) maar komt ook samen met en wordt daardoor versterkt door de islam die zoals ze zich hier en  nu voordoet een anti-intellectuele en anti-culturele verschijning kent. De na te streven voorbeelden die door het Westen gegeven worden (gevaloriseerd met geld: show, sport, pseudo industri?len, spelende politici) situeren zich in de sfeer van amusement, diefstal en leugen.  De media zijn de zichtbaarste en concreetste vormen van het publieke. Ook zij zijn pretparken geworden waar gelachen wordt met de gewone mens (of als een showfiguur (het koningshuis, de politiek, ..) zich als een gewone mens voordoet)  en waar het seksuele enerzijds als een aantrekking getoond wordt en anderzijds als een vunzig iets. De onderwijswereld volgt dit gemakzuchtige en stelt dit als norm. Huiswerk is overbodig, leren is spelen, spijbelen is de wereld verkennen, onbeschoftheid is assertiviteit.

Wat is het hoogste wat een Vlaam bereiken wil? Eten en drinken. De schamelheid van de ‘ervaring’, de ‘beleving’.

Omdat het spel in de publieke sfeer als norm gesteld wordt, kan het dus niet kwalijk genomen worden dat de zwakke groepen dit kritiekloos overnemen. Als een bibliotheek internet aanbiedt in de valse hoop dat dit voor informatie gebruikt wordt, maar in de praktijk ziet dat dit vooral dient voor leeg amusement en illegale handel, dan heeft de publieke sector het recht om dit tegen te gaan.

De indringing van de priv?-sfeer in de publieke (het ongelijk van Kafka) vernietigt niet alleen de openbare maar ook de intieme leefwereld. Alles wordt vals, alles is een beeld.

Het parasitaire leven is het ideaalbeeld. Maar wat getoond wordt en wat werkelijkheid is, is totaal verschillend. Meer, zij die hard werken stellen dit voor als zelfverwerkelijking, als een feest. Ook de arbeid is een leugen geworden.

Het valse heeft een vloeiende taal nodig: de woorden hebben geen vaste betekenis meer, verwijzen naar een ideologische wolk. Onjuist denken kan geen exacte taal gebruiken. Wollig en vuil.

“Mag ik een vraagske stellen?”

De spelling moet hervormd worden omdat er te veel fouten gemaakt worden. Oh, Heer die niet bestaat, verlos ons van taalonkundigen.

De tussentaal is een taal en moet aanvaard worden. O Heer, die niet bestaat, verlos ons van tussentaalkundigen.

Dit is als de ‘definitie’ van het gekkenhuis. Als iedereen gek is, bestaat het gekkenhuis niet meer.

 

Att71cb5

 

 

 

Beide keren gaat het om ‘de markt’ die gelijk krijgt ? de markt is immers de werkelijkheid. Eenzelfde richting is het met de cultuur gegaan. Cultuurfunctionarissen stellen zelf geen norm vanuit de culturele waarden maar volgen ‘de klant’. Er is geen afstand maar betrokkenheid. Wat positief zou kunnen klinken, is echter vernietiging.

Tegelijkertijd is dit een verdergaande democratisering. En dit is een kans om vanuit de cultuur niet de markt te volgen maar de burgermaatschappij vorm te geven en aldus een nieuwe publieke sector te cre?ren (dus buiten de economie en de politiek om).

Het gebruik en de verdediging van de tussentaal als ‘werkelijkheid’ is eenzelfde fenomeen: het is de aanvaarding van het dictaat van de macht, de meerderheid. De argumenten zijn ook dezelfde als die van de politiek: verscheidenheid, tolerantie, krampachtigheid, trauma’s. Het zijn woorden die een ideologische lading gekregen hebben en zelf vervuild zijn. Ze dienen een belang: het belang van de markt.

Als de tussentaal een taal is, moet ze een norm kunnen stellen. De Vlaamse taal bestaat echter niet: de tussentaal is een gestileerd dialect dat zich van regels of normen niets aantrekt. Het is essentieel een gesproken taal en dringt binnen in de geschreven taal waar ze haar onduidelijkheid meebrengt. De gesproken taal kan veel grijze vlekken verdragen, de cultuurtaal kan dit ook maar verwordt dan tot een leugen. Het pleiten voor standaard Nederlands is daarom een linkse daad: de werkelijkheid moet correct beschreven worden. De ironie is: als de tussentaal een norm wordt, zal ze een nieuwe ondertaal cre?ren.

De tussentaal is geen taal die voor kennis, wetenschap en cultuur gebruikt kan worden. Ze is te vaag, te slordig, te wollig. Elk pleidooi voor de tussentaal is daarom anti-intellectualistisch en daarom rechts en verknechtend. Het past in het nationalistisch pleidooi: de kerktoren is uw toren, koester hem. Omdat de tussentaal geen norm kan stellen, dient ze de Vlaamse zelfgenoegzaamheid. ‘We zijn tofjes bezig.’ Taalkundigen doen zich voor als sociologen ? we beschrijven toch slechts wat er gaande is ? maar zijn ideologisch bezig. Ze volgen de economische markt die op ideologisch vlak door het nationalisme verdedigd wordt.

Zonder een degelijk instrument is het denken onmogelijk. De taalfilosofie heeft niet voor niets de taal van onduidelijkheden willen ontdoen (het is de literatuur die de dubbelzinnigheid exploreert: ze doet dit op paradoxale wijze: het spreken wordt als een vreemd element in de schrijftaal gebracht). De tussentaal is niet exact, is altijd slordig, vloeiend, ze benadert slechts. Een geciviliseerde maatschappij maakt de dingen, de relaties, de idealen scherp en duidelijk. Wat omlijnd is, is bevrijdend. Door de taal als een toeval te gebruiken, is er geen creativiteit meer mogelijk. Hoeveel nieuwe uitdrukkingen heeft de tussentaal opgeleverd? Welke nieuwe inzichten? Welke bevrijding? Daarom heeft de tussentaal zo veel te maken met metafysica: beide systemen drijven op het onduidelijke, het zich niet willen vastleggen maar de ander beknotten.

De tussentaal geeft de valse indruk van gemoedelijkheid: ‘we gaan toch niet moeilijk doen, we zijn onder mekaar en we verstaan mekaar toch’. Het komt er niet op aan. Cultuur en wetenschap bestaan echter alleen bij de gratie van de distantie; de gemeenschap is een rechts en nationalistisch begrip.  De tussentaal is het opgaan in de massa. Het is het gevoel tegenover de rede; de gemeenschap tegenover het individu.

 “OK, efkes tofkes geweest.”

Advertenties