‘ik vind het fantastisch!’

door johan_velter

‘De lezer heeft ons niet meer nodig, wij hem wel’, daarmee opent Boekblad van 6 juli 2012. Harold Polis vindt van zichzelf dat hij een straffe uitspraak doet. Uitgevers hebben al altijd lezers/kopers gehad en veel gebeurde ook buiten de officiële uitgeverswereld. Als de uitgever van De Bezige Bij Antwerpen (en Antwerpen staat voor Nederlandstalig België) denkt dat de nieuwe tijd erin bestaat dat de uitgevers een publiek nodig hebben, dan is dat niet zo. Met deze uitspraak stapt hij in een aloude commerciële logica: geld heeft kopers nodig om winst te maken. De ‘nieuwe wereld’ is natuurlijk niet de wereld waar lezers bestaan om uitgevers een broodwinning te gunnen. Lezers bestaan als ze voor zichzelf het lezen waardevol vinden. En dat is het probleem waar ook Polis geen oplossing voor heeft: hij verschuift het probleem van de lezer naar de uitgever. De lezer is niet langer geïnteresseerd, de uitgever moet nu doen alsof hij van deze tijd is om een ‘oud’ product te slijten.

Polis wil waarschijnlijk zeggen dat de wereld veranderd en dat de positie van uitgevers gewijzigd is. Maar ook dat zou wel eens vals kunnen zijn. Het is niet omdat uitgevers hun culturele taak overboord gegooid hebben, dat lezers die rol niet willen aanvaarden of zelfs nodig hebben. Nog steeds zijn er ernstige lezers, nog steeds zijn er mensen die klassieken willen lezen, nog steeds willen mensen naast de hype van spannende broekjes ook degelijke werkstukken lezen van auteurs die wél nadenken.

Polis noemt in het interview dat Lucie Th. Vermij van hem afnam, de vroegere uitgeverswereld ‘behaaglijk, té behaaglijk’ omdat men wist hoe je geld kon verdienen. Hij doet een verwijtende uitspraak maar het is niet omdat het grote geld nu de uitgeverswereld heeft overgenomen dat het kapitaal de waarheid spreekt. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt, is wat Polis hier bewijst. Als Laurens van Krevelen een overzicht geeft van de wijzigingen in de uitgeverijen, wijst hij juist hierop: uitgevers konden geld verdienen maar het ging niet om winst om de winst. Het ging om een menselijkere economie, een humanere vorm van omgaan met elkaar. Polis stelt de moraal van de winsteconomie gelijk met die van de digitale wereld. Hij stelt zichzelf voor als een linkse uitgever – kritisch, zelfreflexief – maar in de praktijk is hij de spreekbuis van de geldbaas. O mores, o Marx.

Wat wil Polis met zijn uitgeverij en zijn auteurs? ‘De geile blik in de ogen van de Apple-fans contrasteerde nogal fel met de doorhangende schouders van de klanten in de boekhandel. Ik zou het liever anders zien.’ Zo beschrijft de uitgever zijn klanten, lezers, tijdens een Amsterdams bezoek. Misschien is het een teken van intelligentie en beleefdheid de geile blik voor de privéruimte te bewaren. Ook Polis spreekt over ‘de ervaring van de lezer in de boekhandel’. Het woord ervaring is een modewoord, een begrip uit de retailwereld. Zelfs in de bibliotheekwereld weet men al dat dit ‘concept’ niet werkbaar is in een culturele context. Wie de cijfers van de klassieke zender Klara kent, weet dat de gerichtheid op ervaring cultuurvernietigend werkt.

Polis noemt ‘Het geluk van de kunst’ van Reugebrink het belangrijkste boek dat hij ‘laatstelijk’ uitgegeven heeft – het is altijd aangenaam voor fondsauteurs om dit te horen. Dit boek gaat echter uit van een achterhaald wereldbeeld, staat haaks op wat er nu gebeurt. De kritiek is gebaseerd op een uit het verleden stammende stellingname. Romantisch omdat ze geen werkelijkheid meer bezit. De positie van literatuur en kunst is veranderd, men kan blijven klagen of men kan vanuit de nieuwe situatie vertrekken en werken. Een blog bijhouden is niet noodzakelijk een digitale daad.


Maar wat wil Polis nu? Hij zegt wel dat de wereld veranderd is maar hoe of wat maakt hij niet duidelijk. Wat moet men met een uitspraak als ‘Het maakt niet uit of de kat wit of zwart is, als hij maar muizen vangt.’? Wat met een uitspraak als ‘Literatuur heeft altijd bestaan bij gratie van creatieve destructie.’? Polis betoogt hierbij dat er al altijd schrijvers zijn die niet meer gelezen worden (hij geeft het voorbeeld van Potgieter) maar als dit al altijd het geval was, wat onderscheidt de huidige wereld dan van de vroegere? Wat bedoelt Polis met ‘De autonomie van de literatuur wordt heel anders beleefd.’ Alweer het woordje ‘beleefd’ (van beleving) en dus nietszeggend en modieus. Als Polis zou zeggen: de autonomie van de literatuur bestaat niet meer, dan zouden we iets kunnen repliceren. Maar vermits Polis de psychologische gave heeft, is er geen tweespraak mogelijk. Hij weet wat er beleefd wordt.

En tegelijkertijd ontkracht Polis zijn eigen betoog door te zeggen ‘Cassandra’s zijn  er altijd.’ Het probleem is dat de Cassandra’s nogal veel gelijk gekregen hebben en dat de anderen die met hun tijd meegingen de meerderheid vormden. (In de praktijk marcheerden ze de tijd weg.) Enerzijds wil Polis de Cassandra voor de uitgeverswereld zijn, niet zozeer wat de toekomst betreft (de toekomst is een hel) maar wel als diegene die de uitgevers  in hun dagelijkse praktijk kastijdt.

Ook Polis laat zich door de zandman begoochelen. Hij stelt: ‘En op de Belgische markt gaan we een periode tegemoet met fundamenteel meer potentiële lezers. De bevolking in de steden groeit de komende jaren fors. Dit verplicht het boekenvak om intens te lobbyen tegen kansenongelijkheid en voor een degelijk onderwijs voor elk kind – al was het maar uit welbegrepen eigenbelang.’ Hier staat de cultuurfilosoof op het niveau van ‘Stichting Lezen’. Men heeft enerzijds een feit en anderzijds een ander feit en men combineert dit tot het een eigen voordeel  schijnt. Het is echter een illusie om te denken dat onderwijs een voldoende voorwaarde is voor een  boek- en leescultuur. Ook zou ik graag het rapport lezen waarin bewezen wordt dat stadsmensen meer zouden lezen dan plattelandsmensen. En Polis gaat er vanuit dat de huidige babyboomgeneratie ‘leeshonger’ heeft: de feiten hebben deze bewering al lang ontkracht. En om helemaal te bewijzen dat Harold Polis het nieuwe niet begrepen heeft, zegt hij: ‘Overigens, als we dan toch gaan lobbyen, dan kunnen we maar beter ook het copyright te vuur en te zwaard verdedigen.’ Van oude politiek en oude gedachten gesproken.

Als Polis zegt dat de digitalisering alles veranderd heeft, heeft hij uiteraard gelijk. Hij doet dit wel op een geëxalteerde manier (het verlengde van ‘geil’, ‘ervaring’ en ‘beleving’) maar toch beperkt hij zich tot de distributie. Dit is weliswaar belangrijk omdat de tussenschakels, de verdelers, de bewakers, uitgeschakeld kunnen worden maar Polis wil ‘op een andere manier met zijn lezers communiceren’. In de praktijk betekent dit in eerste instantie dat de boekhandel uitgeschakeld wordt en in tweede instantie de uitgever zelf. In plaats van de markt te volgen, zou een uitgever tégen de markt in moeten werken om de lezer en schrijver aan te tonen dat een uitgever nog steeds een eigen praktijk kan hebben én dat het boek niet louter een consumptie-artikel is. Maar toch: als de digitale wereld een andere wereld is, dan zal het toch wel om meer gaan dan het verdelen van producten. Helaas hoort men Polis daar niet over en geeft hij ook die boeken niet uit. Wat Polis doet en aanraadt zijn eigenblijk maar frutsels, wat blogs, wat twitters, wat youtube. Dat de gedachten en de organisatie ervan, veranderd zijn en dat dit een invloed heeft op de cultuur, dat zouden we moeten vernemen.

Polis antwoordt op de vraag ‘Hoe vindt u de nieuwe ontwikkelingen?’ ‘Ik vind het fantastisch!’.

Advertenties