neem een woordenboek

door johan_velter

Pascal-diderot

Wat een privilege is het lezers te hebben.

Eerst liet Eddy Bettens mij weten dat het Diderot-citaat uit het boek ‘Venus achterna’ van Andrea Wulf
(https://sfcdt.wordpress.com/2012/07/29/achterna-achterna/ )
uit een brief van Diderot aan Voltaire komt (29 september 1762). De volledige zin luidt: ” « Ce n’est pas assez que d’en savoir plus qu’eux, il faut leur montrer que nous sommes meilleurs, et que la philosophie fait plus de gens de bien que la grâce suffisante ou efficace. »

Ook Paul Claes liet me weten uit welke brief het citaat kwam en hij voegde er aan toe :

“Zie over die twee soorten genade Pascal, Les Provinciales, II (geciteerd in de Grand Robert, s.v. efficace).”

De vertaling van Barbara de Lange luidde als volgt: “We moeten laten zien dat wij beter zijn, en dat de wetenschap meer voor de mens heeft betekend dan goddelijke of genoeg genade. ..’. De vertaalster heeft dus de brontekst niet nagezien maar zich gebaseerd op de ‘nogal vrije Engelse vertaling’ (zoals Eddy Bettens terecht opmerkte).

We volgen de raad van Paul Claes op en nemen le Grand Robert. Daar staat bij ‘efficace’: ‘grâce efficace: qui fournit la réalisation même du bien (alors que la grâce suffisante ne fournit que la possibilité de faire le bien’. Bij ‘grâce’ : ‘aide de Dieu, la bonté divine : aide surnaturelle qui rend l’homme capable d’accompli la volonté de Die et de parvenir au salut.’ Efficace is de genade zelf, suffisante is een stadium eerder, nl. slechts de mogelijkheid tot.

De brief aan Voltaire is geschreven in de periode van de grote turbulenties rond de ‘Encyclopédie’. Voltaire had er al verschillende malen op aangedrongen dat Diderot de vlucht moest nemen en dat hij het drukken moest verder zetten in Rusland of in Berlijn. Diderot heeft dit altijd geweigerd. Ongetwijfeld ook omdat hij loyaal was tegenover de drukkers (het omgekeerde zal niet waar blijken te zijn). Het waren de drukkers die het manuscript bezaten (de achttiende eeuw: de geboorte van het auteursrecht is maar gebeurd via de omweg van de drukkers/uitgevers). Diderot schrijft in de brief van 29 september dat er weer gedrukt wordt, in Parijs, en dat hij de vellen al onder de hand heeft. Maar benadrukt hij tegenover Voltaire: alhoewel ik tussen de barbaren leef, ben ik geen lafaard. ‘Notre devise est: sans quartier pour les superstitieux, pour les fanatiques, pour les ignorants, pour les fous, pour les méchants et pour les tyrans; [ . ..]’ (Denis Diderot, Correspondance IV, Minuit, p. 176). Opvallend in dit rijtje zijn de ‘ignorants’ : onwetendheid is een morele categorie : wie dom is, is daarvoor verantwoordelijk.

Voor ons is dit bijna overspannen proza, slogans die passen in een puberblaadje. Maar de tijden zijn veranderd, de emoties gebonden, de kracht aan banden gelegd.

Daarna bevestigt Diderot dat de vijanden van wat Voltaire “l’infâme’ genoemd heeft, de beteren zijn. Hun drie-eenheid is ‘du vrai, du bon et du beau’. ‘Het is niet genoeg meer te weten dan hen, er moet ook getoond worden dat we beter zijn dan hen en dat de filosofie meer betekent dan de toereikende of de werkzame genade.’

De Nederlandse vertaling baseerde zich op een slechte Engelse vertaling waardoor het citaat onverstaanbaar werd. Het gaat hier wel degelijk over de strijd tussen het obscurantisme en de Verlichting. Het onderscheid tussen de twee soorten genade is voor Diderot een schoolvoorbeeld van slecht, dus theologisch, denken. Het is een denken dat zichzelf (nl. de realiteit) verloren heeft.

Diderot plaatst het geloof tegenover de ‘philosophie’ (en dit mag niet zomaar gelijk gesteld worden met ‘wetenschap’ zoals in de Engelse en Nederlandse vertaling) die activistisch is tegenover het ontvangende van de ‘genade’.

Diderot kende zijn theologie en verwijst met deze zinsnede naar de discussie tussen Augustinus en Pelagius. Het is het aloude vraagstuk van hoe de mens zijn eeuwigheid kan verdienen: door goede werken te verrichten of door de genade van God? Pelagius benadrukte de verantwoordelijkheid van de individuele mens. Hij kan door goede werken de hemel verdienen. Augustinus benadrukt de goddelijke genade. De mens ontvangt zonder enige verdienste de genade van God en over die genade kan niet flauw gedaan worden: de genade is zonder verdienste, is gratis of het zou anders geen genade meer zijn. ‘Heer, neem haar op in uw genade’, betekent: ‘Heer, Gij en ik weten hoe slecht ze is, maar alla, wrijf over uw hart.’

Dit wordt in de eeuw van de kennis  de vraag naar het determinisme. Een populair beeld was God als klokkenmaker. God maakte een klok, stelde wetten en regels op en liet de machine draaien zonder zich nog met de wereld te bemoeien. Dit beeld werd ook populair bij de atheïsten, de materialisten: de wereld is een klokkenspel waar geen directe tussenkomst van een god nodig is. Als de machine zonder een bovenwereldlijk wezen kan draaien dan is het ook evident om de goddelijke oorzaak uit te schakelen. Men houdt de wereld over.

3 dagen voor Diderot zijn brief aan Voltaire schreef, stuurde hij een brief aan zijn vriendin Sophie Volland. Daarin meldt hij dat het achtste deel van de Encyclopédie bijna voltooid is en dat hij momenteel  bezig is met ‘la lecture du plus fou, du plus sage, du plus gai de tous les livres’.

Dat boek is Tristram Shandy van Laurence Sterne.

Jacques le fataliste et son maître’ heeft de sporen van dit boek meegekregen. In deze roman die niet tijdens het leven van Diderot verschenen is, exploreert hij het determinisme of het fatalisme. Wat is persoonlijke vrijheid, wat is verantwoordelijkheid en bestaat die vrije wil nu wel of niet? Waar Diderot in zijn brief aan Voltaire zich duidelijk en slag
vaardig toont, is hij als romancier niet zo zeker van zijn zaak. Diderot zal nooit de kant van De La Mettrie kiezen, hij zal hem zelfs afvallen, maar hun problematiek is dezelfde. Wat is de mens, wat is zijn willen?

De genade waarover Diderot spreekt is volgens Pascal op te delen in twee werkingen. Pascal heeft dit uitgelegd in zijn ‘Seconde lettre écrite à un provincial’ (29 janvier 1656). Nicole voegde als ondertitel toe: ‘De la grâce suffisante”.  Laat ik hier verwijzen naar noot 3 van de uitgave La Pochothèque (2004) om deze beker aan mezelf te laten voorbijgaan: ‘Sur les conditions assez complexes dans lesquelles les théologiens scolastiques ont introduit ce terme dans le vocabulaire technique de la théologie, on peut voir G. Scheenemann, Weitere Entwickelung der thomistisch-molinistischen Controverse, Fribourg-en-Brisgau, 1880, p. 124 s.’ Maar houden we ook in herinnering dat Voltaire Pascal om zijn satire tegen de Jezuïeten bewonderde. .. Diderot wees Pascal af, maar hij deed dit op een gecompliceerde manier. Hij bouwde een systeem tégen Pascal mét Pascal. Of zoals Hisayasu Nakagawa het schreef: “Diderot se sert de la pensée de Pascal pour la réinterpréter et ainsi d’expliquer lui-même avec sa propre conviction.’ (Trois x Pascal dans la pensée de Diderot, in Recherches sur Diderot et sur l’Encyclopédie, n° 7, octobre 1989). Diderot verzet zich tegen Pascal omwille van zijn scepticisme (‘Je kunt best geloven : als het echt blijkt te zijn, heb je gewonnen en als het vals is, heb je niets verloren.’). Bij Diderot heb je reeds een maatschappelijke context: denken is niet vrijblijvend, het heeft consequenties voor het leven, voor de kwaliteit van het bestaan. Denken is niet iets dat daar in de lucht hangt te hangen: gedachten hebben een reden (een belang) van bestaan. Diderot verbindt Pascal met een asociale moraal. Diderot bewonderde Pascal wel als wetenschapper, als wiskundige.

De katholieken kenden genade toe aan de sacramenten. Deze bestaan niet in het protestantisme waardoor de nadruk op de eigen activiteiten komt te liggen. Het eerste geloof is (algemeen genomen) passiever dan het tweede. Het is in dit agogisch element dat Weber het ontstaan van het kapitalisme legde.

In de theologie van Pascal lezen we de Franse filosofie van de twintigste eeuw. Niet Diderot is gevolgd, wel het obscurantisme. Toch was Pascal nog superieur aan hen. In de tweede brief schrijft hij dat het onderscheid tussen ‘grâce suffisante’ en ‘efficace’ is dat de eerste aan alle mensen gegeven is (dit is de heiligmakende genade) maar om de mens te doen handelen is de tweede genade nodig (de actuele dus), ‘qui détermine réellement leur volonté à l’action, et laquelle Dieu ne donne pas à tous. De sorte que, suivant cette doctrine, lui dis-je, cette grâce est suffisante sans l’être. Justement, me dit-il : car, si elle suffit, il n’en faut pas davantage pour agir ; et si elle ne suffit pas, elle n’est pas suffisante.’

De superioriteit van de Franse cultuur.

Advertenties