apoteek – marcel wauters

door johan_velter

“Apoteek” van Marcel Wauters verscheen in 1958 bij ”De Sikkel’ in Antwerpen. De omslagtekening is van Lucebert. Hoe komt het dat Lucebert voor Marcel Wauters en voor De Sikkel een tekening maakte? Dit is voor deze uitgeverij nooit herhaald. Dus zal de connectie eerder gelegen zijn tussen Lucebert en Wauters. Is dit via het tijdschrift ‘Tijd en Mens’ gebeurd? Stel dat Lucebert een aantal tekeningen gemaakt heeft waaruit uitgever en/of auteur konden kiezen: waarom deze gekozen? Of stel dat Lucebert geen keuze liet: waarom dan deze voorgesteld? Vragen die niet gesteld noch opgelost zijn door het boek “Lucebert: drukwerk voor anderen” (De Weideblik, 2012).

De prent van Lucebert is een bijna-Klee-tekening. Onderaan zien we twee deuren, de rest lijkt een gebouw uit 1 stuk te zijn. Een stad. Uiteraard zie je hierin ‘La vie mode d’emploi’ van Georges Perec. (De Nederlandse vertaling bij De Arbeiderspers heeft voor de editie van 2001 een tekening van Paul Klee (‘Betroffener Ort’) als omslag.) Je ziet een aantal ‘wielen’ (rad), een mannetje, links is er een regenpijp, het gebouw heeft een voortuin. Er is geslotenheid als geheel (het gebouw staat op zichzelf). Er is openheid (het gebouw bestaat uitsluitend uit ramen).

Jan Walravens schreef in Het Laatste Nieuws van 29.01.1958 dat deze bundel “draagt de eigenaardige titel ‘Apoteek’.” Hij verklaart de titel niet. Over de gedichten schrijft hij: “”Moesten [sic] we de poëzie van Marcel Wauters met een enkele uitdrukking samenvatten, we zouden zeggen dat deze dichter een voortdurende oefening brengt om stil te spreken. [ … ] hij gelooft ook dat de poëtische spanning slechts te bereiken is op de grens van stilte en preveling. […] Zowel in de anekdotische gedichten, waarvan men denken zou dat ze geschreven werden door een Edgard Tijtgat die Louis-Paul Boon gelezen heeft, als in de spitse uitlatingen, wordt toch steeds dezelfde stille, rustige toon behouden, zonder nadrukkelijkheid, bijna met schroom.”

Louis-Paul Boon schreef (Vooruit, 3.11.1960 -de bundel verscheen in augustus 1958): “Hij stond meer terzijde, keek toe en waagde dan eveneens een poging, ‘zijn’ poging.”

“Apotheker” was voor Ludwig Hohl een scheldwoord. Het stond voor de benepen burgerman die alles afwoog, een Pietje Precies, een angsthaas.

Willem M. Roggeman verklaarde de titel (Oostvlaamse literaire monografieën, 1986): “De titel ‘Apoteek’ verwijst naar de opvatting dat poëzie kan gebruikt worden als een balsem, een geneesmiddel voor de kwetsuren van het gemoed die men oploopt tijdens het leven.”

In de ‘inleiding’ tot deze bundel schrijft Gaston Burssens “[ … ] een apoteker is ten slotte toch een giftmenger.” En even verder: “Je bent niet bang geweest een flinke dosis humor in je pillen te draaien. Dat heet men in mooi nederlands: de pil vergulden. Waarom niet? Het zijn slechte apotekers wier pillen naar gal smaken.” (Wij denken aan Lucretius.) Burssens verwijst voor de poëzie van Marcel Wauters ook nog naar Max Jacob, Apollinaire, Hadewijch en Paul Valéry. Gelukkig land dat veel buitenland heeft.

‘Apoteek’ zou ook kunnen verwijzen naar de alchemistische werkplaats waar het lood van het leven in het goud van de poëzie wordt omgezet. Alleen is het werk van Wauters voor zo’n beeldspraak niet geschikt. Wauters staat in de traditie van Richard Minne en Louis-Paul Boon: het relativerende, het niet-handelen, de melancholie.

De tekening van Lucebert kan als een illustratie van de bundel gezien worden. Wauters staat bekend om zijn anekdotische poëzie (maar dat is te gemakkelijk).Veel gedichten zijn een tafereel en in elk venster speelt zich een scène af.

De poëzie van Wauters is geen balsem, geen geneesmiddel. Hij beschrijft wat hij ziet, ervaart, fantaseert. Er is geen troost. Integendeel, door het leven te beschrijven is er geen mogelijkheid meer tot troost of transcendentie. Hij ziet wat hij ziet.  Wauters is de dichter van de illusieloosheid.

Misschien moeten we ‘apotheek’ neutraler beschouwen als een magazijn, een winkel van geneesmiddelen. Er is van alles wat. Zoals men zegt: ‘je hebt daar een hele apotheek’.

De bundel  bestaat uit twee delen. Het eerste bevat een verzameling snippers (en dit is niet denigrerend bedoeld); het tweede deel toont wat een uitzonderlijk talent Marcel Wauters was (of geweest had kunnen zijn indien hij zichzelf meer au sérieux genomen had). Een gedicht als ‘het ontwaken van de pijn van het opnieuw’ (op p. 65): hele bundels mogen voor zo’n gedicht vergeten worden.

Is er in de bundel geen enkele verwijzing met het beeld van Lucebert? Op pagina 43 in een prozagedicht staat: ‘hij [ook Marcel Wauters had een voorliefde voor een hoofdletterloos bestaan]  bewoog als het ware buiten de circulatie van de verstandelijken wat hem voorzeker een overwicht had gegeven indien de situatie hem had geboeid. maar zo als steeds helaas. hij opende slechts deuren die toegang gaven ach tot wat ja tot wat.’ Op p. 66 kan het gedicht ‘het geel en groen bebloemd behangpapier’ eveneens in verband met de prent gebracht worden: de verlatenheid in de teveelheid van mensen.

Maar dit zijn achterafconstructies. Lucebert heeft geen illustratie gemaakt maar een zelfstandige tekening. Toch klinkt er geen vloek.

Advertenties