de kooi van blanchot (2)

door johan_velter

Blanchot problematiseert de literatuur met als doel het leven te bemoeilijken. ‘Vertellen spreekt helemaal niet vanzelf.’ (26) omdat volgens hem de verteller centraal komt te staan. Net zoals de theologie wil ook Blanchot de mens, het individu problematiseren, wat een ander woord is voor verdacht maken en daarom verdelgen. Veel van wat hij beweert moet aangevoeld worden. ‘Deze ervaring kan niet verteld worden maar staat op het spel wanneer er verteld wordt.’ (27)

Blanchot zet de retorische doos open. Hij gebruikt het gezagsargument: ‘Alsof het humanisme, sinds Feuerbach die er zijn meest energieke vorm aan gaf, er niet onophoudelijk [sic] van langs heeft gekregen en is afgewezen door alle [sic] vormen van belangrijk [sic] onderzoek.’ Blanchot zegt niet welk ‘belangrijk’ onderzoek dit geweest is. Hij intimideert de lezer. Het boek is voor hem een voorhamer. Het woord ‘alle’ is misleidend. Natuurlijk laat Blanchot zich, zoals alle (sic) pseudo-denkers, leiden door Nietzsche. Maar teruggrijpen naar Nietzsche en zijn apostels is niet voldoende als argumentatiekracht: men blijft immers in een bepaalde(dwaal) richting hangen. Hij confronteert deze beweringen niet met externe argumenten. De dwaling blijft aldus een dwaling en alle anderen zijn de ketters.

Zo beweert Blanchot dat het humanisme een theologische mythe is (38) omdat hijzelf binnen een theologisch kader werkt. Wie enkel en alleen een bepaalde taal spreekt, heeft geen weet van het andere. Zo ook met Blanchot: hij tracht verklaringen te vinden maar omdat hij binnen een beperkte reikwijdte werkt, moet hij de antwoorden (die bij hem nooit een antwoord zijn) wel binnen zijn eigen beperktheid zoeken. Blanchot schrijft encyclieken die in hun interne opbouw een logica bezitten maar die geen waarde hebben buiten het Vaticaanse denkkader. Hij verbindt de mens met God maar er zijn andere filosofieën die deze verbinding niet hoeven te maken om zinvolle uitspraken over mens en wereld te doen. Had Blanchot maar Bayle gelezen. Bijvoorbeeld.

Het denken van Blanchot is op het negatieve gericht, daarom is het ook onmenselijk – in de wrede betekenis van het woord. Hij schrijft: ‘Juist omdat de mens sterft, komt hij tot kennis; ook het meest alledaagse, alsook het meest positieve spreken praat slechts omdat de dood erin praat, de dood die dat wat is negeert, en in deze negatie de arbeid van het begrip voorbereidt.’ (38-39). Juist omdat honden sterven, komen ze niet tot kennis, ook het meest buitenissige, alsook het meest negatieve spreken praat slechts omdat het leven erin praat, de geboorte die dat wat niet is niet negeert en in deze affirmatie de rust van het denken betekent.  Het zijn dus slechts woorden, na elkaar gezet.

Er is pseudo-stelligheid. ‘En toch, de mens is altijd sterfelijk geweest, […].’ Uitspraken die geen enkele feitelijke zin hebben in het betoog maar steeds weer een uiting van een droefheid, een onaangepastheid, een agressie zijn. Ze behoren wél tot een programma: ze wentelen zich in de duisternis. Het werk van Blanchot treurt om het Verlichtingsdenken, om de wetenschappelijkheid. Het treurt omdat er helderheid is.

Advertenties