de kooi van blanchot (1)

door johan_velter

Maurice Blanchot (1907-2003) is de schrijver van de dood en daarom – voor sommigen – nog steeds een cultfiguur. Zijn proza, “Thomas l’obscure” bijvoorbeeld, heeft iets dwingends: de fascinatie voor de dood, het andere leven, het niet leven, het wachten, is en blijft aantrekkelijk voor iemand die enige hang naar melancholie heeft. En waarom zou men die niet mogen hebben? Dit maakt dat het lezerspubliek van Blanchot beperkt is: hij heeft niet de kracht gehad zijn eigen karakter (zijn eigen ziekte) te overstijgen. Dit is niet alleen merkbaar in zijn fictionele teksten maar evenzeer in zijn zogenaamde filosofische, die echter geen filosofische maar literaire teksten zijn. In het Nederlandse taalgebied is zopas ‘De stem en het schrift’ (Klement, 2012) verschenen, een niet door Blanchot geschreven boek. Het is samengeraapt uit ‘L’entretien infini’. De inleiding en de commentaren overtreffen in lengte het eigenlijke werk van Blanchot, niet zozeer in drukdoenerij. In dit stuk, de interpretencultuur immers beu (de duisternis kan nooit duister genoeg zijn), houden we ons bezig met de tekst van Blanchot.

Bedrijft Maurice Blanchot filosofie, essayistiek, literatuur? Is hij een beoefenaar van de kabbalistiek? Genre-overschrijdingen zijn niet verboden en kunnen soms naar verrassende resultaten leiden. Toch blijft het waarheidscriterium een belangrijk facet. We weten dat Foucault zijn geschiedenissen van de waanzin en de seksualiteit gebaseerd heeft op onvolledige, onjuiste en misbegrepen bronnen. Daarom is de filosofie van Foucault ook slechts theologie.


Mag de essayistiek zich niet begeven op gladde wegen en mag ze daarom ook nu en dan niet-gestaafde beweringen lanceren? Welzeker, op voorwaarde dat er geen conclusies aan verbonden worden. Al te veel auteurs weven in hun betoog ‘misschiens’, ‘het zou kunnen’ en ‘als we veronderstellen’ in en zijn dan toch zeker van hun conclusies.

Ook Blanchot dus: ‘Vanwaar deze paranoïde gevoeligheid, die de essentie [sic] van het menselijk Ik lijkt [sic] te zijn?’


Het standpunt van Blanchot is belangrijk. Hij treurt om de moderniteit, om de onttovering van deze tijd en van daaruit beoordeelt hij de geschiedenis. Dit oordeel is uiteraard negatief omdat de theologie, het kind van de metafysica, niet meer centraal staat. Het is het geloof in de niet-feitelijkheid dat synoniem voor de onttovering is. Een woord als ‘onttovering’ kan in een ander menselijk domein als synoniem gelden voor leugen. Wat is de winst, wat het verlies?

Blanchot gebruikt de literatuur(geschiedenis) om zijn eigen gelijk te bewijzen: hij waardeert de literatuur niet om haarzelf, de argumentatie wordt niet opgebouwd vanuit de literatuur zelf. Hij verengt de verscheidenheid van het literaire tot dat wat hem bruikbaar is. Literatuur is de dienstmeid.

Advertisements