goya en c.c. krijgelmans (2)

door johan_velter

‘Goya’ van C.C. Krijgelmans verscheen eind 2011 bij Literarte. De oplage bestond uit 135 genummerde en gesigneerde exemplaren. Deze uitgave heeft meer het gevoel van een brochure dan van een boek. Het omslag is slap, is enkel verstevigd doordat er met flappen gewerkt wordt. Het omslag is verdeeld in twee vlakken, grijstonig en wit. Titel en auteursnaam zijn op elkaar gedrukt. De uitgave valt uiteen in twee delen. Er is een tekst- en een prentgedeelte. De prenten zijn op een groot vel gedrukt en geplooid in twee katernen. Niet gesneden. Er is 1 verticale prent, de rest is horizontaal. De lezer moet het katern draaien. Het tekstgedeelte is horizontaal,  daardoor stemmen tekst- en beeldformaat niet met elkaar overeen. Er is ook een storend verschil tussen beide katernen. Het tekstgedeelte is wit, de prenten zijn op grijze tonen gedrukt. Het contrast is te groot. De vraag is waarom het boekformaat van Goya zelf niet gebruikt werd.

Ook de algehele vormgeving van Alligator/Studio stemt niet tot tevredenheid. Het materiële boek is contradictorisch met de zwarte gal van de prenten van Goya, met de anale gerichtheid van Krijgelmans. Het boek is te ‘clean’, te ‘zuiver’, te ‘proper’, te ‘esthetisch-formalistisch’. Boven de prenten van Goya werden de eerste regels van de teksten van Krijgelmans gedrukt. (Bij de eerste , verticale, prent werd dit zijdelings gedrukt.) Het lettertype verzinkt in het grijs van het papier. In het voorlaatste gedicht worden aanhalingstekens i.p.v. afkappingstekens gebruikt.

De technische uitvoering is niet geslaagd. Het tekstgedeelte werd volledig ingenaaid maar dit is niet recht gebeurd waardoor de tweede helft van het katern slecht geplooid kan worden, nog afgezien van het feit dat door het schuin naaien de esthetiek van de omslag aangetast werd. Het geheel werd in een goedkope witte omslag gestoken. Driemaal werd genummerd: het boek, een etiket op de omslag en op de binnenzijde van de lip van de omslag.

De constructie van het boek maakt het haast onmogelijk om te lezen. Het omslag bestaat uit vier geplooide delen. Het tekstkatern werd in de plooi van deel 1 en 2 genaaid, op de rug van deel 4 is het colofon gedrukt. Tijdens het lezen moet dit gedeelte open blijven liggen want het kan niet in het boek geborgen worden. Enfin, veel technisch gedoe met een twijfelachtig resultaat.

Laten we zeggen dat ‘Goya’ een light-Krijgelmans is. Hij is voor zijn doen redelijk bevattelijk. De lezer krijgt geen al te hoge barrières te verduren. Een typische zin: ‘Een publiekerig gevlei met buiksel en diep buigsel en hoedgezwaai, recht voor haar en achter haar, voor bezittelijk in ruil voor wat gehaspel met en in haar onderbuik en ingewand.’ Het is duidelijk dat deze tekst een bijschrift is voor prent 83 van de ‘Caprichos’ (‘De oude vrouw en haar aanbidders’). Strikt genomen behoort deze prent niet tot de ‘Caprichos’, een wel opgenomen variant is nr. 55 (‘Hasta la muerta’, ‘Tot de dood’ – een onverbiddelijk dubbelzinnige titel).

Er is veel leesplezier. De inventiviteit van Krijgelmans is soms aandoenlijk. Je hebt de neiging hem te willen ‘nadoen’, ‘verbeteren’: waarom ‘bejaard’ als het ook ‘bejaardelijk’ kan zijn? Zijn ‘nieuwe’ woorden zijn geënt op de bestaande en lijken daardoor soms de taal van een kind te zijn dat naar analogie de woorden samenstelt. Onder die woorden staan er echter ‘normale’ anekdotes, verhalen die een ‘normale’ logica te zien geven. Het is alsof Krijgelmans eerst een gewone tekst schreef en die daarna opsmukte met de eigen woordenschat.

Men kan zich dus voorstellen dat een redactie op deze teksten niet evident is. Toch hadden fouten als ‘geportreteerd’, ‘weeral’ of ‘kannoneer’ verbeterd kunnen worden.  En dan begin je te twijfelen aan woorden: wat wordt hier bedoeld of gaat het dan toch om een ‘fout’ (bijvoorbeeld ‘neergeprint’ in ‘Oorlogsverniel’, bij prent 30, ‘Estragos de la guerra’/ ‘Gruwelen van de oorlog’ uit de reeks ‘Desastres de la guerra’)?

In dit gedicht neemt Krijgelmans het Goya-standpunt over: het geweld is het resultaat van een ‘verziekt brein’; de doden het gevolg van een ‘miserable veldbeheer’.

Het derde gedicht ‘Spookbewaan’ staat naast de prent ‘Disperate de miedo’ / ‘De dwaasheid van de angst’, nummer 2 van ‘Disparates’. Ook hier beschrijft Krijgelmans eerst ‘slechts’ wat Goya verbeeld heeft. Daarna vergelijkt hij die wereld van geweld met die van ons: onze wereld is voor Krijgelmans minder omdat er minder geweld is, omdat ‘het spookgewaan’ ons niet meer overduidelijk . ‘Het doorbreekt niet meer. Het neemt ons voorwaar genoeglijk in bezit zonder geniaal, noch wat dan ook, behalve onverzinnelijkt.’ Hij keert daarmee de boodschap van Goya om.

 Het hoogtepunt van de bundel is ‘Tmes omwille’, een tekst bij ‘Por una navaja’ / ‘Voor een mes’, nr. 34 van de ‘Desastres’. Krijgelmans voert zichzelf op: “Ik kijk naar zijn beoogverleden […]”, “beoog ik weer”, “Ik weet niet hoe”. En zowaar hij wordt ontroerd: “[…] zo moeilijk om dragen voor mij, tmes omwille.” Deze prent doet hem denken aan een voorval, een ongeval in zijn jeugd waar hij een aantal doden, gekwetsten (?) op het asfalt zag liggen. Het deed hem niets, tot hij deze prent van Goya zag: “Totaan tmes omwille.” Hoe verbazend dat het persoonlijke, het particuliere hier en nu een empathie teweeg kan brengen, een tekst van schoonheid kan geven, een steek in het hart kan betekenen. In deze bundel keert Krijgelmans zich van het geweld af omdat het geweld steeds weer een persoon betreft.

Er zijn nog drie andere teksten bij de prenten van Francisco Goya. “Wees stil en begraaf ze’ bij “Entarrar y callar” / “Begraven en zwijgen”, nr. 18 van “Desastres”. “Begroot wanverdaad! Tegen het onbestaan!” bij “?Grande hazaña! Con muertes!” / “Wat een heldendaad! Met doden”, nr. 39 van “Desastres” en tenslotte “Wegverlies”, een gedicht bij “No saben el Camino” / “Zij kennen de weg”, nr. 70 uit dezelfde reeks. De prent die doet denken aan “De blinde leidt de blinden” van Brueghel.

Goya_cck_5Goya_cck_2Goya_cck_3Goya_cck_4
Advertenties