goya en c.c. krijgelmans (1)

door johan_velter

Goya_cck_1
 

19 november 1968. Hugo Claus schrijft in zijn dagboek (De wolken, De Bezige Bij, 2011, p. 201) ‘De mist is de moeder van alle weer, zei Georges vanmorgen.’

Daarna verhaalt hij van het bezoek dat C.C. Krijgelmans hem bracht. Hij doet vooral verslag van diens project. Het zijn de jaren zestig, veel moest omgewoeld worden en het absolute was ook toen al in trek bij sommige schrijvers.

Claus begint negatief – en ook wel positief. Krijgelmans speelt een pseudo-spel. Er is veel inventie, er wordt bewust gesjoemeld, veel is met de pet gegooid. Is Krijgelmans wel ernstig of speelt hij een geleend spel? Claus repliceert op de woorden van Krijgelmans en dat is nog het duidelijkst.

Men moet schrijven alsof er geen schrijver is. Er moet vertrokken worden van een ‘patroon’ en dat wordt ingevuld met zinnen, woorden. Deze laatste bepalen de ‘sensibiliteit’ van het geschrevene. Elke variant op het patroon is dus beladen met een ander gevoel. Door de woorden te veranderen, de zinnen te herschikken krijg je steeds weer andere varianten waaruit de schrijver toch verdwenen is. (Maar er wel is: zie de sensibiliteit.)

Het waren de jaren dat de Franse filosofen aan zelfhaat begonnen te doen. Het was ook de tijd dat de literatuur zich het mindere broertje van de beeldende kunst begon te voelen: er werd gestreefd naar ‘de abstracte roman’.  De ideologie voor de ontlezing is al een halve eeuw geleden ontworpen.

Claus geeft nog een psychologisch portret van de auteur, dat niet erg flatterend is.

Om het werk van Krijgelmans aan te prijzen worden dikwijls de woorden van Hugo Claus aangehaald. Het is echter de vraag of de oudere Claus, dus de niet-metafysische, die woorden nog zou beamen. In 1984 verscheen ‘Spaanse vlieg’ van C.C. Krijgelmans bij DBB. Op de achterflap citeert men Claus: ‘Ik ken geen andere auteur die het NL [sic] proza zo heeft verrijkt met het genot van de gruwel, met de monsters van de rede.’

De monsters van de rede’ verwijst uiteraard naar de prent ‘El sueño de la razón produce monstruos’ (nr. 43 van de ‘Caprichos’) van Goya.

Zoals steeds toont Claus zijn intelligentie op een nonchalante manier. Het gaat bij Krijgelmans inderdaad om het genot, de wellust van het geweld, het monsterachtige, het afwijkende. Hiermee  wordt de visie van Goya omgekeerd. Het geweld bij de kunstenaar is geen wellust maar een aanklacht. Er is nergens ook maar een greintje belangstelling te zien (Goya is géén Bataille). Het liefst had Goya zijn ogen gesloten. Wat hij toonde was niet zozeer het resultaat maar wel de daad: zie dit, want er was een moord, een verkrachting, een foltering, een aanklacht. Goya was een moralist: hij wilde de wereld verbeteren en daarom toonde hij het negatieve. Daarom is het werk van Krijgelmans (die overigens ook een De Sade-vertaling afleverde en heel wat pornografisch werk schreef) een klus om te klaren. Op een abstract niveau kan dit gewaardeerd worden: de ontregeling van de taal (in feite uitsluitend de woordenschat) maakt gaten waardoor er einders gezien kunnen worden. Maar een tekst is nooit abstract: dat wat verhaald wordt, is dat wat verhaald wordt. Het geweld, de puberseksualiteit, het anale, het achterbakse moeten door de lezer ook concreet gemaakt worden. En dat is niet altijd prettig. Maar moet literatuur prettig zijn? Nee. Moet literatuur zwelgen in het genot van de vernietiging? Nee. Niet iedereen verdedigt de immorele Ernst Jünger — en wie dat doet, heeft zijn redenen.

De verhalen van Krijgelmans vertonen weinig inhoudelijke variatie en ook de ‘vernietiging van de gangbare taal’ (dixit Bart Vervaeck) is minder spectaculair dan men zou mogen verwachten. Wie de ‘truc’ doorziet, kan een Krijgelmans-machine beginnen. Enerzijds toont de auteur daarmee aan dat zijn project mislukt is (er is wel degelijk een auteur aan het woord), anderzijds is zijn project ‘geslaagd’ (er moeten enkel woorden ingevuld worden en de eindeloze herhaling kan in gang gezet worden).

Peter Bormans heeft op zijn blog ‘Inktspat’
( http://inktspat.com/2009/04/claude-c-krijgelmans/ )
een analyse gegeven van het literair project van Krijgelmans, waarbij hij dit oeuvre wel in periodes indeelt. Over de woordontregeling schrijft hij: ‘
Met die bestaande woorden kan dus van alles gebeuren: substantieven kunnen adjectieven worden of omgekeerd, door het gebruik van al dan niet bestaande voor- of achtervoegsels (cfr. hierboven‘uithollig’) kunnen nieuwe vormen ontstaan. Soms kunnen zodoende meerdere betekenissen mee gaan spelen: ‘raamkozenaar’ doet denken aan ‘raamkozijn’, aan ‘kozen’, aan ‘korenaar’, maar in de context ook aan het Duitse ‘Rahm’. En in een woord als ‘balanseer’ worden twee vormen van eenzelfde stam, nl. het werkwoord en het substantief tot één nieuw woord omgesmeed.’ Hij meent dat Krijgelmans verder gaat dan Joyce en dat hij een typische maniërist is omdat het ‘hoe’ belangrijker is dan het ‘wat’.

Eind vorig jaar is bij Literarte een nieuwe uitgave van Krijgelmans verschenen: ‘Goya’, een bundel ‘teksten’, ‘prozagedichten’, of hoe men het ook noemen wil. Net zoals bij Ivo Michiels is de genre-aanduiding onbelangrijk geworden.

Advertenties