de hond en goya (3)

door johan_velter

Zo gemakkelijk is het een hedendaagse roman te schrijven: men babbelt een biografie van een ander na. Men doet origineel en dus babbelt men ook over zichzelf.

‘De oude Goya’ van Julia Blackburn is de zoektocht (ho, dat verachtelijke hedendaagse woord) van een schrijfster naar het leven van Goya. Oppervlakkigheid is troef, zijzelf staat in het centrum van haar boek. Waar Blackburn in ‘Wij drieën’ het toppunt van onsmakelijk exhibitionisme ten toon spreidde, is dit egocentrisme ook al in ‘Old man Goya’ aanwezig. De fictionele biografie is een vermenging van biografische gegevens van Goya en van de schrijfster. Goya wordt gezien als een verlengstuk, ze gebruikt hem om zichzelf omhoog te schrijven.

Ook zij beschouwt de doofheid van Goya (uiteindelijk) als positief ‘[het] dwong [hem] voor alles op zijn ogen te vertrouwen.’ (Ik gebruik de vertaling door Martine Vosmaer, Contact, 2002.) Net alsof een horende schilder dat niet zou doen… Oh, de clichés van deze wereld. Wie een zintuig minder heeft, blijkt plots een messias te zijn, een bovenmenselijk wezen. Blackburn beweert: ‘Ik weet zeker dat hij duidelijk kon zien wat er gebeurde en zou gaan gebeuren omdat [sic] hij niet werd afgeleid door het gewone [sic] gedruis van woorden. Hij kon vrij de woede en angst lezen, vrij door de straten lopen en de nadering van de storm ruiken.’ (p. 84)

De ‘fascinatie’ van Blackburn voor Goya dateert vanuit haar kindertijd: haar moeder had haar een boek met etsen van de schilder gegeven. ‘Er was ook een briefkaart van dat geheimzinnige schilderij van een hond die uit het duister in een glanzend geel licht tuurt […].’ (p. 12). In haar roman laat Blackburn soms een hond opduiken, niet alleen een reële hond maar ook in vergelijkingen. Ze gaat naar een stierengevecht en daar ziet ze een blinde man met een stok die door een stel vrienden geleid wordt. (We weten dus dat op het einde van deze passage de dove Goya een rol zal spelen: oh, de doorzichtigheid van deze wereld… ) ‘Ze gingen op de eerste zij zitten en hij installeerde zich voor het gevecht, met zijn armen op de houten balustrade geleund, de lucht opsnuivend als een hond terwijl hij het gekabbel van geluiden om zich heen volgde.’ (p. 109)

In hoofdstuk 30 verbeeldt Julia Blackburn hoe Goya in zijn huis rondloopt en de schilderijen beziet: ‘In de grote kamer boven gaat hij onmiddellijk naar de hondenkop die omhoog tuurt in een uitspansel van geel licht. Hij heeft altijd van honden gehouden, vooral van kleine jachthonden als deze. Het onrustig schemerende gele licht doet hem denken aan een boom in de zon, met duizend [sic] woelige vogels onzichtbaar verborgen tussen de blaadjes.’ Hier ‘bewijst’ Blackburn de grote gave die doofheid is: zelfs wat onzichtbaar is kan een dove tellen: precies duizend.

Ook al leek het dat Blachburn het ‘raadsel’ Goya zou verklaren en dat ze het ‘geheimzinnige’ schilderij ‘De hond’ zou duiden, uiteindelijk is dat er niet van gekomen. Ze veronderstelt veel, ze zet zichzelf in de plaats van Goya en vertelt louter een verhaal. Een boek is een product. Toch geeft ze een belangrijke aanduiding: Goya hield van honden.

Advertenties