leegte lacht_tonnus oosterhoff (4)

door johan_velter

In de bundel ‘Leegte lacht’ van Tonnus Oosterhoff komt een merel voor. We hadden in de merelreeks al een ander gedicht van hem opgenomen.
In de nieuwe bundel kan de merel tegen de kraai afgezet worden. Deze laatste het negatieve element (‘Over één nacht’).

Het gedicht ‘Overal in Nederland vandaag hetzelfde weer’ (p. 30) gaat over de dwang van de hedendaagse cultuur, het ‘Unbehagen’, de verveling, het heimwee. De tweede regel zou een gevleugelde uitdrukking mogen worden: ‘en rust is thee van dood’. Het gedicht bestaat uit twee strofen, twee tijdsmomenten worden tegenover elkaar gezet. De eerste strofe is het nu. De eerste regel drukt een vermoeidheid uit ‘Overal in Nederland vandaag hetzelfde weer’: wat een plat land, hier is niets te beleven. En dan is er televisie wat het — naar het schijnt — wel een beleving zou zijn. Maar wat een onnozelheid: Barbapapa die zich als een boor in een kussen boort. ‘Alle kinder-tv is / misdadig geschmier. Lucht! Buitenlucht!’, roept de dichter uit.

Dat brengt hem bij zijn jeugd. In het eerste deel van het gedicht is het verleden al gekropen: het heden bestaat niet op zichzelf. Hij denkt aan de beschutting, het half-verborgene van het talud, privé-sfeer in de buitenruimte: ‘Dit is het talud / waar ik vroeger rookte. Eeuwige merel, waar ben je? / Kribbigheid, hete wangen, afnemende levenskracht.’ Zo eindigt de eerste strofe. Er is het weer, het vlakke land, de televisie en het kind, de herinnering, de laatste regel het besef van de voortschrijdende tijd. ‘Eeuwig’ kan twee betekenissen hebben. Die ‘eeuwige’ verveling, dat ‘eeuwig’ gezeur. De overdrijving: het is er altijd. Een ondertoon van wrevel, ongedurigheid, de tijd die stilstaat.

Eeuwig kan ook positiever zijn: en altijd was er de zon, die liefde voor I. die maar blijft duren, eeuwige trouw. Het is in die tweede betekenis dat ‘eeuwige merel’ begrepen mag worden: de tijd van het geluk, de tijd van het zingen, de jeugdjaren. Eeuwig leken ze te zijn, de tijdloosheid van het moment.

De tweede strofe begint met een bijna gelijkaardige beginzin als in het eerste deel ‘Het was overal in Nederland hetzelfde weer.’ Toch is de betekenis anders: ‘overal’ en ‘hetzelfde’ duiden nu op een geluksgevoel, er is een eenheid, een onzichtbare en tot niets verplichtende gelijkheid, er was geen wrevel, maar een opgenomen-zijn in het universum. Dit is geluk: na school een sigaret roken, een poes zien lopen, een theepot in het gras, de merel en verre geluiden: ‘De geur van mest, het weerbericht zwak uit het open raam, / de merel, de schemer.’ Er was een heelheid. Toen Nederland nog …

Tonnus Oosterhoff breekt deze begoocheling: ‘maar ik doorzag al’. En nu verwacht je een uitspraak die alle dingen in het juiste perspectief zet. Maar de dichter doet dit niet. Hij gebruikt een niet-eenduidig beeld. ‘Alles vulde en was vol / maar ik doorzag al: een plastic zakje / voor onderweg, een vis op de markt gekocht in kraanwater, / juist toereikend voor het vervoer van een gewoon wonder.’

Het zou gelezen kunnen worden als zorg, maar dit is te oppervlakkig. Oosterhoff suggereert een overgang van de ene gevangenis naar de andere. Het leven als een luchtbel. De mens in een cocon. Het plastic zakje is een verwijt: rommel dat het water en de vis voor even bij elkaar houdt, de rommel van dit leven. Er is ook geen betovering: het gewone is het leven is een wonder. Het sublieme is hier van geen betekenis. Leven is passeren. Tonnus Oosterhoff is één van die dichters die dan eindelijk de negentiende eeuw achter zich gelaten heeft.

In het gedicht ‘Dichters storten zich namens de mensen’ staat een van de mooiste hedendaagse sprookjes. Je weet niet of het gruwel of schoonheid is. Is het egoïsme of altruïsme? Vrije wil of gedoemdheid? Geeft hij of moet hij? Is het zingen lokkend of verstrooiend? De ambivalentie van het laatste woord betekent zand onder de voeten. ‘Een haai had een radio ingeslikt. / Door de stand van zijn tanden / was het dier niet in staat deze aan de zee / terug te geven. In elke baai die hij aandeed zong / haai noodzakelijk de liedjes van het land. / Als hij niet gezonken is wordt hij / door het leven nog voortgeroeid.’

Advertenties