wat details rond wapenbroeders van louis paul boon (7)

door johan_velter

Bart_baele_-_breughel_kop

Het probleem van Louis Paul Boon is een probleem van de moderniteit. Enerzijds verafschuwt Boon de hedendaagse tijd die overwoekerd is door technische en wetenschappelijke waarden (zo werd dit toen genoemd, nu zegt men ‘economische’ waarden). Hij zoekt ‘de mens’. Velen in de avant-garde verheerlijken (al dan niet expliciet) een verleden. Maar die weg is voor Boon afgesneden: hij weet dat het verleden er ook 1 is van uitbuiting, verknechting en aliënatie. Boon heeft geen toekomst, maar ook geen verleden. Het heden bevat het kwaad van het verleden en het slechte van de toekomst. Het is niet goed en het wordt niet beter.

De ambitie van Boon was om de roman, de kunst te vernieuwen. Het schone verhaal met een schone pointe, schoon geschreven met schone handen op schoon papier door een schone mens voor schone lezeressen, wilde hij niet. Maar hij was ook niet akkoord met de experimentelen, de Vijftigers. Ze waren hem te vrijblijvend: hun anti-schoonheid was louter vormelijk, een verbrokkeling van woorden en zinnen. Dat moest hij niet hebben: voor hem was dat een burgerlijke hobby. Er moest een esthetica van de waarheid ontwikkeld worden. Die esthetica lag in de taal zelf: door zijn taal wilde hij het leven in die burgerlijke taal brengen. Dat dit soms botste was evident. Die anti-burgerlijke elementen waren de kleuren. Boon geloofde niet in de coherente roman. Het leven was meerduidig en er zat geen lijn in. Hij stapelde verhalen op. ‘In een boek en in een mensenleven worden alleen de dingen verteld die wat boven de andere uitsteken, maar eigenlijk is dat verkeerd, want het zijn veel meer de duizend en 1 gewone gevallen die de duizend en 1 gewone levens kenmerken.’ p. 60). Dat was voor hem de moderne kunstvorm. Helaas, was dat wilde te vinden in het verleden, o.a. in de Middeleeuwen. Daar vond hij een model en juist dat model zei hij wilde hij tot een roman, een geheel, samenbrengen. Wat hem niet gelukt is: hij heeft alleen de vele verhalen achter elkaar geplaatst en met de verschillende boeken 1 boek gemaakt. De nieuwe roman was dus al in het verleden te vinden: waarom dan in het heden doen wat vroeger al gedaan was? De anti-burgerlijke kunst bleek voor het burgerlijke tijdperk al bestaan te hebben — en het was niet het volk dat toen schreef. Tot overmaat van ramp: dat anti-burgerlijk verhaal werd door de katholieke bourgeoisie tot hun verhaal gemaakt.

Hetzelfde met de ideologie. Natuurlijk was hij tegen het kapitalisme maar hij kon niet begrijpen/aanvaarden dat iedereen in dat kapitalisme wilde profiteren. Had hij maar De la Boëtie gelezen.

Dan was er ook nog zijn schilderwerk. Dat een complete mislukking was. Niet vernieuwend, niet oud, niet modern, louter beelden. Hier is hij de slechte negentiende eeuw nooit voorbij gekomen. Boon woonde in een modernistisch huis, ontworpen door Albert Bontridder, maar zijn kunst was decennia achter gebleven. Kun je je voorstellen dat Boon een Warhol kon bewonderen? Een Beuys kon waarderen? En dat huis was hem bovendien ook te modern: er moesten koterijen bij komen. Op plastisch gebied was hij helemaal niet modern, en op literair gebied dan wel? Kon dat wel? Nog een tegenstelling er bovenop.

En dus zat Boon klem: hij kon niet naar het verleden, hij kon niet naar de toekomst; het nieuwe was het oude en het oude zinde hem niet. Wat restte hem? Zijn whisky, zijn boontjes. De late Boon is zeker en vast een mindere Boon omdat hij zijn paradoxen niet heeft kunnen oplossen. Hij kon zichzelf niet heruitvinden. Hij verloor het leven. Hij nam de naam Isengrimus aan.

Boon heeft zich verloren in de jaren zestig, waar hij te oud voor was, hij werd de hofnar van de jongeren. Maar ook die jongeren kon hij niet ernstig nemen: hij zag in elke vrouw een Ondine die een Vapeurke of een Oscarke gebruikte, belachelijk maakte en vernietigde. Hij is dan toch weer in het verleden gevlucht: Daens en de anarchisten. In het verleden zocht hij mensen en daarmee gaf hij toe dat zijn vernieuwing mislukt was.

In zijn misogynie is Boon ook werkelijk een product van (hopelijk) voorbije tijden. In ‘Wapenbroeders’ komen passages voor die je hoofdschuddend, schouderophalend moet lezen. De vrouw is Eva: het is Hermeline die Reinaert verleidt en in het verderf stort (en niet Isengrimus zoals sommigen beweren): zij is het die Reinaert de trucs aanleert om te liegen en te bedriegen. Zij is de slang en de appel. Bladzijde 53. De vrouwenhaat van de domme man: ‘— want ge weet dat het met een vrouw altijd iets is, […], p. 127. En de vernietigende meervoudsvorm die Reinaert tegen Hersinde uitspreekt: ‘[…] iemand zoals gij, die de weg des heren in kuisheid hebt bewandeld, en de vaders uwer kinderen steeds trouw gebleven zijt.’ (p. 187-188).

In ‘Wapenbroeders’ is Belijn het voorbeeld van de corrupte schrijver die tricheert. De valse schijn van het rijm. In ‘Wapenbroeders’ krioelt het echter ook van de binnenrijmen. Boon doet dit treiterig en daarmee verwijst hij toch ook naar zijn literaire bronnen en de orale cultuur, die nog steeds gedacht wordt een volkscultuur geweest te zijn. Deze techniek is in het hele boek te vinden ook al verlegde Boon geleidelijk aan zijn focus, zijn kritiek van de politiek naar de literatuur. Op p. 41 (1ste en 2de druk) schrijft hij: ‘en nutteloze boeken te hebben willen schrijven ter veredeling van de mens. […] en zoals het een paar schoolmeesters beschreven hebben, zo schoon maar nogal onnozel — zo zonder de ware geest van laat me zeggen breughel, of willem die madoc en amok maakte — […].’ Ook in ‘Wapenbroeders’ heb je dus de reflectie op het métier. Hier gebruikt Boon geen personages zoals in ‘De Kapellekensbaan en ‘Zomer te Ter-Muren’ om commentaar te leveren, het gebeurt in het verhaal zelf. De schrijver is zelf aan het woord maar hij doet dit niet vanuit de hoogte maar vanuit het verhaal zelf: de verteller is een personage zonder dit expliciet te vertellen. Hij ontdubbelt zichzelf (zoals hij de gij-vorm in andere boeken hanteerde): ‘Hij ging voortaan een eerzaam lid der samenleving zijn, een bandiet in burgerskleren.’

Door het binnenrijm te hanteren, zit er een kadans in dit verhaal, een leutigheid en een venijn. Een aantal voorbeelden: ‘graad, graad, karaat’ (54), ‘mijn spek, zeer gek’ (58), ‘vaten, staven, pieterstalen’ (70), ‘ogeernen, lanteernen’ (70-71), ‘stoet, groet’ (72), ‘mee, bee’ (74), ‘bokken, lokken, brokken, dokken, meet, weet’ (78), ‘hard, part’ (79), ‘verwijlen, dweilen’ (92), ‘ontdaan, staarden aan’ (150), ‘mist, vergist, mist’ (152), ‘vergaan, staan, groen, doen’ (153), ‘schande, schade’ (166),

Er zijn ook de flauwere grappen: ‘h-aandacht’ (een verwijzing naar de haan), ‘bed-maal’ (etmaal), ‘mis-sproken’ (die is al beter).) Nee, Boon gaat niet achteloos om met de taal, nee, het is geen dialect, het is geen volkstaal. Nee, het zijn geen mankementen. Hij heeft een nieuwe vorm gevonden.

De vergelijking met Diderot is duidelijk: het is geschreven alsof het gesproken is. Het is alsof je naast de schrijver zit.

(Ill. Bart Baele: ‘Hommage à Breughel’, 2004, courtesy Galerie Polaris, Paris)

Advertisements