wat details rond wapenbroeders van louis paul boon (4)

door johan_velter

‘Ge zit gij daar aan uw computer en gij schrijft daar wel ‘Als Boon zoveel belang hechtte aan het juiste gebruik van het cursief, dan heeft hij in ‘Wapenbroeders’ toch niet goed opgelet.’ En ge doet dat achteloos en zonder veel te peinzen gelijk ge zo veel zonder peinzen doet. Ge pakt een stekske en ge steekt daarmee de rommel van uwen hof aan en ge smijt dat op de grond gelijk dat het niks is en vieze komt langs en ziet dat stekske en ook vieze laat het liggen, och zegt hij, het is een stekske van boontje, laat maar liggen, het ligt daar goed. En zo zegt ge zo veel en ge peinst er niet over om dat te veranderen, ge zegt gezegd is gezegd en ge leest wat verder en ge denkt misschien is er toch nog iets anders. Och, zegt ge en ge trekt uw schouders op en ge denkt dan aan dien ouwen schoolmeester die altijd zei dat ge uw schouders recht moest houden. Maar ergens is er toch een worm bezig in uwen buik te knagen, tiens vraagt ge u af knaagt een worm nu ook al?, en ge peinst almeteens dat ge dat toch moet rechtzetten in het gedacht vaneigens om er toch weer een draai aan te geven zodanig dat ge op teind weer gelijk zult hebben. Ge peinst daarmee ne mens is gelijk dat tis en dat verandert niet.’

Joos Florquin was in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw een intellectueel coryfee. Zijn reeks op de BRT, ‘Ten huize van …’, fungeerde als een Vlaamse pleiade: wie door hem geïnterviewd werd was een held. Ook Boon heeft hij in de reeks opgenomen. Florquin, de Vlaamse katholiek, deed dat op een neerbuigende manier. Florquin was mijnheer pastoor die bij die rare op bezoek ging. Boon was toen al een tijd boontje, de publieke figuur. Maar toch: het interview werd in twee delen uitgezonden. Het werd aanvaard dat Boon iets te zeggen had. De vragen behandelen de carrière en de ideeën van Louis Paul Boon. Florquin doet dit min of meer chronologisch: eerst het jeugdwerk en daarna stelt hij vragen over bijna elk boek.

Over ‘Wapenbroeders’ zegt Boon in dit interview: ‘De grondwaarheid van het boek is dat idealisme vaak misbruikt wordt om geld mee te verdienen en dat de mensen van goede wil altijd aan het kortste eindje trekken. […] Er worden daar zoveel gevestigde waarden belachelijk gemaakt, de kerk, de staat, de kommunistische en socialistische partij, dat ik nu misschien zelf beschaamd zou worden als ik het boek zou herlezen!’ (Ten huize van 8, 1972, p. 12-13). (In ‘Wapenbroeders’ staat dit zo (Het begin, 2): ‘[…] maar leer er uit dat in deze tijd zowel als in alle tijden achter de schoonste leuzen alleen bedriegtdeboer hoogtij viert, en de idealen werden uitgevonden om er een stuiver aan te verdienen.’) Boon vergeet in het interview de literaire laag van ‘Wapenbroeders’. Niet alleen expliciteert hij in dit boek zijn anti-maatschappijvisie, hij schrijft ook een ‘anti-poëtica’.

Nummer 1-2 van ‘De kantieke schoolmeester’ (1992) bevat een meer dan verhelderend artikel over ‘Wapenbroeders’. Het is veruit het belangrijkste essay dat over dit boek verschenen is. De auteurs, Herman Heyse en Rik Van Daele, zijn Reinaertspecialisten. Ze gaan in hun artikel na wat de bronnen van Boon waren, hoe hij die manipuleerde maar ook hoe hij die waar nodig gewoon overnam. We hebben twee auteurs die zich niet door het Boon-beeld laten beetnemen, die de mythe niet aanvaarden en de tekst lezen. Ze spreken dan over intertekstualiteit, over bronnen en genese. Ze vergelijken de verschillende publicaties (Front, Tijd en Mens, Wapenbroeders, De Kapellekensbaan, …) en geven een verslag van hoe de schrijver schreef. Hun inhoudelijke analyses zijn daardoor ook beter dan die van sommige ‘Boonkenners’.

Ze onderzoeken ‘Wapenbroeders’ als een boek dat vele invloeden heeft ondergaan, ze kijken na welke bronnen Boon gebruikt heeft en hoe ‘slordig’ hij daarmee is omgegaan. Boon doet in dit boek niet anders dan wat Hugo Claus deed: hij gebruikt citaten, teksten van anderen als een ekster. Hij gebruikt wat hij gebruiken kan. In sommige gevallen duidt hij een citaat typografisch aan, in veel gevallen helemaal niet. Voor de lezer wordt dit moeilijk. Maar het is ook moeilijk om dit te interpreteren: speelt Boon met de lezer of is hij slordig? De geciteerde auteurs houden het op een bewust, intertekstueel spel.

In het eerste stuk ‘De middeleeuwen van vroeger en van nu’ laat Boon door het gebruik van aanhalingstekens zien dat hij een citaat gebruikt: “ ‘op de koe en de spaarzame centjes neerstrijkend gelijk gieren, en op de vrouwen zich werpend gelijk dolle stieren’ ”. Volgens Heyse en Van Daele parafraseert Boon hier de (verzwegen) bron van Paul De Keyser, ‘De avonturen van Ysingrijn en Reinaert’. Hij gebruikt aanhalingstekens om ‘een bron te suggereren’. Het citaat is dus niet letterlijk.

In hetzelfde stuk citeert hij door het Oudnederlands gewoon over te nemen, zonder cursief, zonder aanhalingstekens, zonder bronvermelding: ‘[…] om dan in het terugkeren te moeten constateren, o schone tal van reinaert, dat hi mijn wijf hevet verhoert ende mine kindren so mesvoert, dat hise besekede daer si laghen, datter twee noint nemeer ne saghen ende si worden staerblent … en waarin men elkander […].’ Op andere plaatsen gebruikt Boon het Frans. Bij de hoofdstuktitels zette Boon steeds de bronnen die hij gebruikte (maar Heyse en Van Daele tonen aan dat we daar niet te veel op mogen betrouwen). In de twee stukken van ‘Het begin’ doet Boon dit niet en het citaat hangt dus ergens in de lucht.

Een derde manier van citeren is de cursieve letter. Boek 1, 2: ‘Wij slaan hem dood en steken zijn huis in brand, hitste reinaert isengrimus op … maar doodslaan deden zij hem niet want tussen droom en daad staan wetten in de weg en practische bezwaren en ook weemoedigheid die niemand kan verklaren en tevens betrouwde de een de ander niet, gelijk het kleine luiden immer blijft vervaren.’ Het cursief gedeelte is, buiten de komma’s en de regelval, een letterlijk citaat uit ‘Het huwelijk’ van Willem Elsschot. De vijfde strofe bij Elsschot begint met ‘Maar doodslaan deed hij niet, want tussen …’. Boon parafraseert die zonder het als een parafrase te laten zien. De strofe eindigt bij Elsschot met ‘en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.’ Boon neemt deze regel niet over maar hij vervangt het persoonlijke en berustende bij Elsschot met een vernietigend oordeel over de kleine mens: niet te betrouwen. Het citaat zelf wordt door Boon ook uit zijn context gehaald. Bij Elsschot gaat het om de man-vrouwproblematiek, bij Boon gaat het over een maatschappelijke misdaad, een daad van verzet.

In Boek 1, 7 verwijst hij naar ditzelfde gedicht maar nu zonder aanhalingstekens: ‘Met spijt, en ook weemoedigheid die nu heel goed was te verklaren, […]’

Een vierde manier van verwijzen is het vernoemen van een naam, een titel en daarmee verwijzend naar een gedachtegoed. In Boek 1, 1 bijvoorbeeld ‘want dat was totem en taboe’, een verwijzing naar Freud.

Advertenties