herakleitos hohl

door johan_velter

Herakleitos_hohl

Het werk van Ludwig Hohl is buitenissig in zijn normaliteit. Hohl is een werker, een atheïst, materialist. Hij schrijft tegen de keer, gericht op zijn ambacht. Werken, is een motto. Fragment B115 van Herakleitos luidt in de vertaling van Paul Claes ‘Geestelijk inzicht breidt zich uit.’ Hohl herschrijft dit als: ‘Wer wirklich arbeitet, kann nicht mehr aufhören zu arbeiten.’. Hij voegt eraan toe: ‘Der Satz scheint mir zugleich auch die freieste, aber genaueste Übersetzung zu sein dieses Wortes von Heraklit.’ (Die Notizen I, 42)

Wat is identiteit, verandering? Wat is het ik? De vraag naar de tijd, de geschiedenis als een alchemistisch proces. Hoe worden we? Onszelf? Wat is het leven: steeds hetzelfde of veranderend, wentelend, kerend? ‘Aber bis der Mensch erkennen kann, da? man sich nicht durch Bewahren bewahrt, sondern durch sich Hinwenden (Ausgeben) —! Durch sein Hineinbegeben im immer neuen Stoff wird man ewig, durch sich halten Wollen in dem einen erlöscht man. Wie die Flamme. Die Flamme, die der grösste Denker des Altertums als ein Bild des Allgemeinen erkannt hat. (Oder: auf die Frage, was das Hauptsächliche sei, genannt hat.)’ (Notizen II, 170)

Hohl is een anti-systeemdenker. Hij weet dat dit soort denkgebouwen slechts kloosters, gevangenissen kunnen zijn. Daarmee maakt men indruk, schrijft hij in Notizen II, 235, maar ze gaan de mensenkracht te boven, het kan gewoonweg niet. Nee, liever dan de brokken steen die uit de rots gekapt worden, de fragmenten zoals Herakleitos, Goethe, Lichtenberg die naar de oppervlakte gebracht hebben. Daar, en slechts daar, is de waarheid te vinden. Daarom is Hohl een anti-metafysicadenker, een anti-theoloog: hem zijn de feiten liever dan de geloofsinhouden, dan het denksysteem. Het zijn de theologen die zeggen dat alles zo moeilijk is. Nee, zegt Hohl: denk.

In het vierde deel van de ‘Notizen’, getiteld ‘Der Leser’, vierde notitie: er zijn weinig echte schrijvers, maar zijn er ook echte lezers? ‘Jedenfalls ist wirkliches Lesen dem Schreiben näher als alles andere.’ Lezen en schrijven zijn van ‘het grote werk’ de twee veruitwendigingen. Ze hebben dezelfde bron, dezelfde houding. Wat is lezen anders dan kijken, dan zien? En wat is schrijven anders dan waarnemen, opnemen? ‘?Vater, was tut eigentlich der Wind, wenn er nicht weht?? Ist das nur die naive Frage eines Kindes, die komisch wirkt? und nicht zugleich auch der Kern einer grossartigen Satire über die menschliche Begrenztheit und ganz nahe dem Wesentlichsten der Lehre Heraklits?’

(Noemde Paul Claes niet Christine D’haen ‘de grote lezeres’?)

Hoe moeilijk het schrijven:denken is, wordt getoond doordat Hohl het denken met ‘wezenlijk’, ‘echt’, ‘in kern’, … niet loslaten kan en dus toch nog aan de rand van het metafysische zit.

In het zesde deel, ‘Over schrijven’, vermeldt hij Herakleitos in het gezelschap van Katherine Mansfield, Gryphius, Balzac, Hölderlin en Thomas Mann. Zij hebben een ‘vorm’ gevonden die hun denken weergeeft. Anderzijds: het is hun denken dat een vorm gemaakt heeft waardoor dat denken tot zijn recht komt. Oordeel een mens naar de clichés die hij gebruikt, naar zijn schone stijl. Daarom kunnen we zeggen: echte dichters zijn slechte dichters.

Apotheker is in de wereld van Ludwig Hohl een scheldwoord. Hij is de bekrompen petit-bourgeois, hij spreekt van het leven en dat leven verstaat hij. En dus begrijpt hij Herakleitos niet, of Lichtenberg, Gide of Kraus. Herakleitos staat aan de andere kant. Altijd.

In deel IX, ‘Literatur’, notitie 25, verwijst Hohl naar de bekende anekdote van de lachende Demokritos en de huilende Herakleitos die lachen/huilen om de mens. ‘Aber man hat schon dümmere Anekdoten geglaubt als diese, welche doch etwas sagt: dass beide sehr gleichartig waren.’

In notitie 55 noemt hij Herakleitos nogmaals de grootste geest van de Klassieke Oudheid. Toch moet hij bekennen dat hij Herakleitos niet ‘helemaal’ begrijpt en toch is wat hij over Herakleitos schrijft misschien wel de meest vervoerende leeshouding: ‘[…], Heraklit, nur weiss ich von ihm wenig, es ist in meinem Denken mehr ein Hinführen zu ihm, als dass ich von ihm viel erführe.’

In deel 12, ‘Bild’, nummer 38. Heeft Homeros geschreven om (ons) te onderhouden? Was zijn epos een amusement, een spel? Natuurlijk niet, ‘Sondern er musste einen Geist ausdrücken.’ Het werk is de uitdrukking van een idee, het beeld van een wereld. De ‘Balzac’ van Rodin is een dusdanig beeld, zo is ook het werk van Herakleitos. Het is zoals het is, het kan niet anders. Hier horen we Spinoza spreken, die andere geliefde schrijver van Ludwig Hohl.

Advertisements