23 dingen over de teleurgang van de openbare bibliotheek (10)

door johan_velter

23_dingen

Een sector in crisis, plooit zich op zichzelf terug. Wordt een gesloten mossel. Hij verbreekt de banden met de werkelijkheid en ontwikkelt een eigen dynamiek. Hij reageert op een situatie door zichzelf gecreëerd, niet de maatschappelijke, en gaat daardoor steeds verder wegdrijven van waar het om gaat. Kritiek bestaat niet, mag niet, kan niet. Men verliest zich in formaliteiten, de inhoud geraakt op de achtergrond en verdwijnt ook op den duur.

Het waardenpatroon van de sector verwatert, men haakt zich vast aan derden. De spiegel is niet meer zichzelf maar de ander. Daardoor wordt de sector verder overgeleverd aan waarden die haaks kunnen staan op waar het over zou moeten gaan. Niet alleen wordt de sector daardoor op een verkeerde manier georganiseerd (gereorganiseerd!) maar er dringen ook vreemde elementen binnen (d.i. geen zuiverheidpleidooi). Men gaat vooruit, men laat achter. Het marcheren is een levensgevoel. De organisatie heeft geen uitstaans meer met het onderwerp of het doelpubliek. Alles wordt vaag en abstract. De woordenschat lijkt betekenis te hebben.

Men begrijpt niet wat anderen zeggen. Men zegt dat de anderen niet mee zijn met hun tijd, niet flexibel zijn. Men hult zich in een autoritair, hautain zwijgen.

Men zoekt zich een publiek dat niet bestaat en men verwaarloost het eigen publiek. Beter: men attaqueert het eigen publiek. Is er dan geen leerproces? Jawel, als er kritiek komt dat de bibliotheek van de 21ste eeuw een derderangsclown inzet als ‘verwenning’ voor het publiek, worden het jaar daarop twee clowns uitgenodigd om het publiek niet te vermaken.

Het publiek heeft geen eigen stem. De raden van beheer, de inspraakorganen zijn formele democratie. Het zijn manieren om zitpenningen uit te delen of om mensen te parkeren (als fin-de-carrière of als wachtkamer). Beheerders leggen programma’s vast terwijl ze niet deskundig zijn of zelf bibliotheeklid zijn. Een voorbeeld uit de praktijk. Het gemeenteraadslid wiens voornaamste activiteit breien tijdens de gemeenteraad was, zou graag in een bibliotheek komen waar er geen bibliotheek meer is. Ze is dan ook geen lid van de bibliotheek.

Het beleid zelf laat zich dicteren door niet-gebruikers. Een aantal jaar geleden werd een afhakers-onderzoek gevoerd. Dit gebeurde schriftelijk. De uitslag was voorspelbaar (waarom komt men niet meer: geen tijd, boetes te hoog, het boek is er niet, …). Op basis van dit onderzoek werd in verschillende bibliotheken het uitleenreglement gewijzigd –en soms in het nadeel van de frequente bibliotheekgebruikers. Zijn deze afhakers nu lid van de bibliotheek geworden? Het aantal leners blijft een dalende trend vertonen…

De sector wordt gereorganiseerd volgens externe wetten. Het imago wordt belangrijk. Maar het imago voor wie of wat? Soms blijken bibliotheken in aftandse gebouwen bijzonder goed te werken en zijn er bibliotheken in ‘moderne’ setting die nauwelijks een meerwaarde bieden. Misschien willen mensen vooral boeken lenen en is de omgeving hen een zorg. O, sakkerse, heidense gedachte.

In ‘De Groene Amsterdammer’ van 24/11/11 maakt Marcel Möring zich kwaad — het is een verademing te lezen dat een schrijver de bibliotheek belangrijk vindt en dan ook nog niet omwille van het leenrecht. Zijn analyse is correct en scherp — alhoewel ik niet met alles akkoord ben. Wat hij schrijft over de politiek is ook in Vlaanderen juist. Het is niet zo dat de politiek in Vlaanderen tégen de bibliotheek is en die per se kwijt wil. Integendeel soms: men wil de bibliotheek gebruiken voor niet-bibliothecaire doeleinden. De situatie is daardoor ambivalent. Men pocht enerzijds: ‘maar we geven zo veel geld aan de bibliotheek’. Anderzijds duwt men de bibliotheken in een averechtse richting. Men koppelt subsidies aan de waan van de dag: ‘de allochtoon’, ‘de voetballiefhebber’, ‘de shoppende vrouw’, ‘de gamende jongere’. De politiek wil doelgroepen bedienen en schakelt daarvoor de bibliotheek in. Omdat de onafhankelijkheid van de ambtenaar een illusie geworden is, is deze praktijk de evidentie zelf geworden.

Het is amusant dat Möring dezelfde vergelijking maakt die ik jaren geleden in een artikel neerschreef (een artikel dat dan eindelijk na veel censuurpogingen, verdachtmakingen, … toch gedrukt kon worden): de vergelijking met de katholieke kerk in de jaren zeventig en de wanhopige pogingen van de bibliotheken nu om toch maar een publiek te vinden. Marcel Möring: ‘Hoe meer banjo’s en elektrische gitaren ze in de mis stopten, hoe meer ze die nieuwe doelgroepen — jongeren! jongeren! — tegemoetkwamen, hoe minder kerk er overbleef en het gevolg kennen we allemaal: de kerken zijn leeggelopen en komen, ook al is er veel nieuwe spiritualiteit, nooit meer vol.’

Möring verwerpt de ‘verheffingsgedachte’ en bekijkt de bibliotheek als een verzamelplaats voor talige cultuur met daarbij het bewaren en toegankelijk maken van de collecties, ‘en anderzijds een omgeving […] waarin kennis verworven, bestudeerd en verwerkt kan worden’. Dit laatste is geïnspireerd door het gedrag van jongeren: zij zien de bibliotheek niet meer als een uitleenmogelijkheid maar als een plaats om zich te kunnen afschermen van technologische, verslavende verdorvenheden.

Hij verzet zich ook tegen ‘een pseudo-democratisch relativisme dat uit lafheid weigert onderscheid te maken […]. De bibliotheek is bezig te smoren in haar eigen irrelevantie.’ Hij stelt dat de bibliotheek niet alles moet aanbieden, dat er keuzes gemaakt moeten worden en dat bepaalde zaken maar thuis moeten gebeuren. Möring maakt echter de consequentie hiervan niet duidelijk.

Een bibliotheek moet voor Möring een studieplaats zijn. Moet zich richten op jongeren waar er thuis nauwelijks cultuurdragers aanwezig zijn. Ze moeten geconfronteerd worden met boeken en kwaliteitsfilms, niet met rommel.

Maar ook in dit artikel ontbreekt een visie op het publiek zelf. Hoe kan oppervlakkigheid gekeerd worden in een vreugdevolle fantasie, in een levendige interesse voor de dingen, het verleden, onszelf? Hoe kan de sentimentaliteit veranderen in een culturele emotie? En zo eindigt Möring zijn artikel ook weer in een oproep die weinig concreet is. Het is een norm die in het verleden geworteld is: we zien enkel nog de woorden, niet wat de diepte is. Zijn besluit: ‘Wat wij zijn, wat wij willen en wat wij weten, dat ligt in de bibliotheek opgeslagen [in deze zin gebruikt hij de bibliotheek in de oude betekenis van het woord], daar kunnen we het lezen en bestuderen. Wie daar nonchalant of luchthartig mee omgaat verwaarloost niet alleen zijn cultuur [in deze zin gaat Möring er van uit dat de maatschappij de cultuur nog relevant vindt], maar toont ook gebrek aan zelfrespect [en ook dit woord bestaat maar in een humanistische context]. Zonder behoorlijke bibliotheken kun je nog zo hard over de wortels van onze joods-christelijke cultuur kletsen, maar zal er niemand zijn om te weten waarover je het hebt.’

Advertenties