23 dingen over de teleurgang van de openbare bibliotheek (6)

door johan_velter

23_dingen

Er is een nieuwe aflevering van Taalschrift (een al te oppervlakkig blaadje van de Nederlandse Taalunie) verschenen. Een tekst van Geert Joris, ‘Straks leest niemand meer een boek’. Het begint met een vaststelling: de spelling gaat achteruit. Dit wordt meteen bewezen in het artikel zelf:

‘Dat er slecht gespeld wordt valt te betreuren. Het is ongetwijfeld een verarming van de taal. De mogelijke verklaringen zijn het gebruik van vaak voorkomende werkwoordvormen die een soort automatisme in schrijven veroorzaken. Ook nonchalance wordt aangegeven als mogelijke oorzaak. Maar frapanter […]’.

(Citeert iemand die zelf niet foutloos schrijft.)

Een deel van de conclusie is echter verkeerd: ‘Het probleem zit dus veel dieper dan dat mensen dt-fouten maken, of bepaalde taalnuances niet beheersen. De vraag is zelfs of dat erg is. Wie bezondigt er zich niet aan? Het probleem is dat lezen en schrijven blijkbaar niet meer tot onze basisvaardigheden moeten behoren. Dat we generaties aan het voorbereiden zijn op een taal- en letterenkaalslag. Het is zoals de conclusie van de studente naar de kwaliteit van de klasbibliotheken zei: het is geen kwestie van centen, maar van beleid.’

Het is niet alleen een kwestie van beleid, het is ook een ‘kwestie van onszelf’. Geert Joris heeft zelf nog niet zo lang geleden beweerd dat leesbevordering geen zaak is voor ‘boek.be’ maar voor de overheid. Altijd weer komt dezelfde reflex naar boven: het is de overheid die het moet oplossen. De werkelijkheid is echter dat de overheid maar kan doen wat de bevolking zelf al doet. De overheid heeft geen interesse meer in een taal- of cultuurbeleid omdat de burger zelf er geen interesse voor heeft. De overheid wil burgers die niet nadenken. De zachte dictatuur waar ook de leiders niet nadenken. Zie de ‘kwaliteit’ van het politiek personeel. En de bevolking die vegeteert.

Toch is er ook nog een ander facet. Er zou ook een aanbod moeten zijn dat niet alleen door de vraag bepaald wordt. Vroeger werd juist dit gedeelte gesubsidieerd: het aanbod, hoe elitair het ook mocht zijn, werd gesteund ondanks een mindere vraag. De steun was er ook omdat in ministeries, in bibliotheken, in organisaties mensen aanwezig waren die een boekcultuur wilden stimuleren. (Zoals we al gezien hebben en nog zullen zien: in de bibliotheekwereld werkt Locus en andere satellietclubs t?gen de bibliothecaire waarden.) De wereld is veranderd en nu steunt de overheid wat geen steun behoeft en wat minder aantrekking heeft, wordt niet langer getolereerd. Het sterke wordt sterker gemaakt, het ‘zwakkere’ verdwijnt.

Maar er zijn geen bewuste burgers die de zaak zelf in handen nemen (door bijvoorbeeld boeken te kopen). Ze klagen en zagen liever en zoeken schuld bij anderen. Die er ook is maar de zaken zijn niet zo eenvoudig als ze worden voorgesteld. Omdat er twee culturen over elkaar heen schuiven, is er verwarring.

Ook de openbare bibliotheek is geen onderdeel meer van een cultuur-, kennis- of onderwijsbeleid. Ze werd ingeschakeld in de vertiermaatschappij. De bibliotheek van de 21ste eeuw stelt een daad: ze nodigt clowns uit als haar bijdrage tot de leescultuur. De nar had in vroeger tijden misschien een vermanende functie, vandaag een vermakende. En zo is ook het ‘concept’ van de bibliotheek van de 21ste eeuw. Niet omdat het niet anders kan, maar ook omdat het beleid dit zo heeft uitgetekend, omdat dit beleid intellectueel niet anders kan.

Sociologie is binnen literaire en artistieke kringen een geliefd thema maar het is opvallend hoe weinig reacties er komen wanneer de sociologische instellingen vervallen. De intelligentsia zwijgt wanneer bibliotheken pretparken worden en zwijgt wanneer een museum verwordt tot een plaats om recepties te houden. Hoeveel medestanders heeft Bernard Villers gekregen toen hij de schandalige sluiting van het Museum voor Moderne kunst in Brussel aan de kaak stelde? Er is nauwelijks interesse, nauwelijks solidariteit.

Enige tijd geleden was er in de zeer kleine kring van Locus enige ophef. Een bericht verscheen in de krant dat 1 bibliotheek een nepboek in de collectie had opgenomen. Een storm in een glaasje water: men zou actie ondernemen. In diezelfde tijd was er ook een onderzoek over de slechtere kwaliteit van de schoolbibliotheken — het onderzoek waarnaar Geert Joris refereert. Het was opvallend dat Locus reageerde op het eerste en niet op het tweede bericht. Opvallend, maar niet onverwacht. Locus is immers bezig met zichzelf, de goede naam van de petit-bourgeois (‘wat gaan de mensen zeggen!’) en niet met de inhoud van de bibliotheken. Een reactie op het tweede bericht had moeten zijn dat schoolbibliotheken nooit de kwaliteit van een openbare bibliotheek kunnen hebben en dat daarom moet nagedacht worden over een efficiënt en effectief cultuurbeleid. De openbare bibliotheken bieden een groter overzicht, kunnen meer exemplaren aankopen. Scholen moeten ook met hun leerlingen een bibliotheek bezoeken — een groot deel van de kinderen ziet ouders immers nooit een boek lezen. Het is daarom noodzakelijk dat bibliotheken — ook als gebouw, ook in de inrichting, ook qua ‘klimaat’ — zich presenteren als anders dan het thuisfront, dan wat op televisie te zien is, dan wat een deel van internet biedt. De openbare bibliotheeksector wilde echter per se hedendaags zijn en heeft zichzelf verloren. Elke nieuwe bibliotheek is daardoor een verlies van cultuur geworden.

Vanuit de overheid is er geen visie op het openbaar bibliotheekwerk meer. Er is wat ruzie tussen het Vlaams, het gemeentelijk en het provinciaal niveau. Elk wil zichzelf presenteren en ontwikkelt allerlei instrumenten. Dat dit geen efficiënt en effectief beleid is, hoeft geen betoog. Dat het ene niveau tegen het andere vecht, is een evidentie geworden. Over wat gaat het? Politieke macht, een logo, een vlag. Niet over cultuur.

Advertisements